Om en in den Bijenstal.
(Juni.)In April stonden de bijen er niet mooi voor. We schreven toen, dat Mei een gure maand kan zijn, maar ook mooi weer kan geven en voor de bijen nog heel wat goed kon maken. Dit laatste is gebeurd. Bij zonneschijn en groeizaam weer heeft de natuur zich prachtig ontwikkeld en gaf een schat van bloemen. Verschillende boomen en gewassen, welke in andere jaren meer na elkander bloeiden, kwamen tegelijk en er was een groote rijkdom aan honigsap en stuifmeel. De toestand in de bijenwoningen werd spoedig zeer gunstig en vooral de eenigszins sterke volken, die goed door den winter waren gekomen, werden in korten tijd prachtig. Reeds op 15 Mei Kwamen er zwermen, wat zeer vroeg is. Niemand had dit in April kunnen vermoeden.
Thans is Juni gekomen, een heerlijke maand van onzen korten Noordschen zomer, vol pracht en weelde. Het jonge loover heeft zijn vollen wasdom hereikt en de talrijke teere tinten van 't jonge groen vloeien samen tot een meer donkere kleur. Het kleurenkleed van flora's kinderen vertoont niet meer die bonte afwisseling, pracht en omvang. Het vogellied klinkt nog krachtig en blij door bosschen en over velden, doch neemt in deze maand al meer en meer af, wanneer de broedtijd allengs voorbij gaat. De zomerzon blinkt warm aan den helderen diepen hemel, met hier en daar enkele zachtgetinte wolkjes. Wanneer ze 's avonds onder de kim daalt, dan blinkt een felle goudglans aan den westelijken hemel, die langzaam wegsterft en overgaat in een zilverig licht, dat dooft en wegvloeit tot den schemerschijn boven den Noordelijken horizon. Deze wijst ons heen naar de landen der middernachtszon. Onze schemernachten zijn vol wondere en majestueuze stemming.
Dan komt alles in de morgenschemering, die langzaam overgaat in prachtige glansen en tinten en ..... "Aurora ontsluit de hemelpoort voor den zonnewagen". De natuur ontwaakt. Nog wat later en de eerste bijen trekken naar de velden; geleidelijk wordt de vlucht sterker en in de hitte der zomerzon zwoegen de arbeidsters, die met haar vrachtje honigsap of stuifmeel zwaar ademend op de vliegplank neerstrijken.
Aardig wordt het zomerleven der bijen beschreven in 't gedichtje van J. Winkler Prins.
Tusschen de ijle zilvren berkedreven,
Over heuvlen en langs beek en wei,
Strekt zich uit de mooie groene sprei,
Die uit geur en bloemen werd geweven.
Hoe voorbeeldig vriendelijk is hier 't leven!
Zelfopoffering maakt de harten blij:
Want de bloem heeft aan de nijvre bij,
Bateloos haar besten schat gegeven.
Deze draagt den opgegaarden honing
Uren ver, met gonzend bromgeluid,
Naar den korf bij 's landmans stille woning.
't Lijdt niet lang, of heel de zoete buit
Prijkt ten disch van burgerman en koning:
En opnieuw weer zwermen bijen uit.
Juni is in de meeste streken in hoofdzaak de zwermmaand. Thans zijn de meeste voorzwermen wel geschept. In menigen stal komen nu nog nazwermen, welke men grootendeels weer teruggeeft om de volken zoo sterk mogelijk te houden.
In kasten gaat dat zeer goed en men kan te voren eerst al de moerdoppen wegnemen, zoodat men van zoo'n volk dan geen zwermen meer behoeft te verwachten. In korven geeft dat meer zorg, omdat men niet zoo gemakkelijk de moercellen kan zien. Daarom past men daar een andere methode toe.
Men „jaagt de bijen tegen den doek".
De korf wordt van een doek voorzien, op den kop gezet en getrommeld. De bijen trekken omhoog en de rijpe (vlugge) koninginnen verlaten haar cellen. Nu moet men de „onrijpe moeders" nog dooden, door den korf te botsen. Men laat hem, voorzichtig met den kop op den grond vallen en als hij door eigen veerkracht wat opspringt, vangt men hem weer op, wanneer hij ongeveer zijn hoogtepunt heeft bereikt. Door die beweging worden de teere larven en nimfen in de koninginnecellen op den bodem der cellen gedrukt, zakken ineen en komen om. Daarna geeft men den nazwerm, welke van dit volk reeds te voren was gekomen, weer terug en men behoeft geen zwermen meer te verwachten.
Nazwermen kan men gemakkelijk vereenigen. Dit komt omdat de koningin nog onbevrucht is en deze (en daarmede het geheele volk) nog een zwakke nestreuk hebben. Al heeft een nazwerm reeds een broednest aangezet, dan kan men er vooral in den eersten tijd een anderen nazwerm of een gedeelte daarvan bijvoegen, wanneer men eenige voorzorgen neemt, door wat honig-water door de bijen te sprenkelen, voordat men vereenigt. Het bestrooien met wat meel geeft ook goede resultaten.
Men moet een zwerm niet in een groote ruimte zetten. Zoo ziet wel eens een kleinen zwerm in een hoek van den kop in een grooten ronden stookorf. Dan wordt er geklaagd, dat zoo'n zwerm niet wil bouwen en ontwikkelen. Men moet echter niet vergeten, dat zoo weinig bijen geen warmte genoeg kunnen ontwikkelen in zoo groote ruimte om was te kunnen bereiden.
Ook is het legertje voedsters en draagbijen veel te klein om een flinke ontwikkeling van het bijenvolk te mogen verwachten. Zorg dus voor sterke volken, en vereenig nazwermen.
Wanneer men een voorzwerm in een te groote ruimte brengt, dan heeft men veel kans, dat hij veel darrenwerk gaat bouwen, wanneer hem jgeen kunstraat is gegeven. Een voorzwerm zonder kunstraat en alleen voorbouw mag men op hoogstens 4 à 5 raampjes zetten en moet men bij vermindering of staking van 't gewin voederen, zoodat de bijen blijven doorbouwen. Dan zal men mooie raten zonder darrenraat krijgen. Volken met zeer oude moeders hebben meer neiging tot 't aanzetten van darrenraat dan die met minder oude koninginnen.
Zoolang bij een nazwerm de koningin nog onbevrucht is, vertoont het volk weinig lust om te bouwen. Wanneer de koningin echter bevrucht is en er een broednest zal gevormd worden, dan ontwaakt ook de bouwdrift. Zorg dat de nieuwe raten mooi en juist in de raampjes komen. Volken met jonge en onbevruchte koninginnen vereischen eenige zorg. Tijdens de middaguren is de jonge koningin bij goed weer op oriënteeringsvlucht of op bruidsvlucht. Dan ziet men voor de woning een druk voorspel, en mag men vóór die woningen of in de nabijheid er van niet werken. De terugkeerende koningin zou licht kunnen verdwalen.
Wanneer bijenwoningen dicht op elkaar staan, is de kans het grootste, dat de jonge koningin in een verkeerde woning terecht komt. Men kan in 't oog loopende herkenningsteekens aanbrengen, door op een korf of kast (vóór de uitvluchten) een tak te steken, een steen te leggen enz. en die niet weg nemen tot de koningin is bevrucht. Is een jonge koningin's middags op bruidsvlucht gegaan, en niet teruggekeerd, dan blijven de bijen na 't voorspel onrustig en loopen tegen den avond over en door de woning, als zochten ze iets. Die onrust herhaalt zich soms op volgende avonden doch meestal zwakker om weldra te eindigen, 't Is een teeken van moederloosheid.
Bij sommige jonge moeders moet men wel eens 14 dagen en nog langer wachten tot ze bevrucht zijn. Dan ziet men, dat het volk koninginnenapjes begint aan te zetten, wat ook wel gebeurt, wanneer de koningin is omgekomen. Er zijn jonge moeders die betrekkelijk lang wachten voor ze na de bevruchting eitjes beginnen af te zetten. Hangt men dan een stukje open broed met eitjes en jonge larven, dan beginnen de voedsters haar sap te bereiden en begint ook de koningin in te leggen. Zij en haar voedsters komen over haar „doode punt" heen.
Wie de separatie-methode heeft toegepast, zal in deze maand, wanneer de jonge moeder broed heeft aangezet 't beneden- en 't bovenvolk moeten vereenigen. Hij moet echter zorgen, dat het volk, waaruit de oude koningin is verwijderd, 6 dagen na de vereeniging nog eens wordt nagezien, om er de moerdoppen uit te nemen, welke aangezet mochten zijn. Na dien tijd zijn de bijenlarven te oud en kunnen de bijen er geen koninginnen meer van kweeken.
In tuinen ziet men de bijen op de honigrijke reseda, bernage en framboos. Op de zandgronden zijn de bramen van belang. Onder de onkruiden komen vooral in aanmerking de herik of krodde. De bloemen van linde en acacia kunnen heel wat geven. Verder halen de bijen op witte- en bastaardklaver, sprokkelhout, sneeuwbes, enz.
T.C. Hootsen