Ingezonden.

M. de Red.
Naar aanleiding der in het vorige maandschrift vermelde cijfers en de mij nog door den heer accountant verstrekte inlichtingen zou ik nog graag het navolgende willen mededeelen.

In de eerste plaats deze algemeene opmerking. Onze vereeniging moet men beschouwen als één geheel, feitelijk is er geen scheiding tuschen de verschillende afdeelingen en bedrijven. Administratief en financiëel is alles één geheel, Zoo staat bijvoorbeeld wel het totaal bedrag der loonen en salarissen vast, maar de verdeeling daarvan, zooals die te vinden is in de winst- en verliesrekeningen, is min of meer willekeurig en onjuist.

Het Hoofdbestuur heeft nagegaan, hoeveel werk er ongeveer wordt besteed aan de verschillende afdeelingen en heeft in overeenstemming daarmede vastgesteld, dat zooveel salaris zoude komen ten laste van afdeeling Handel, zooveel ten laste van suiker enz., maar zuiver is deze verdeeling niet en kan ze ook nooit zijn. Zoo is het dus met de loonen en met alles, met accountantskosten enz. Maar daaruit volgt dan ook weer, dat men ook niet met zekerheid kan nagaan, hoeveel nu juist op Handel is verloren en hoeveel op suiker verdiend. Het eenige wat wel absoluut vast staat, is, dat er in het geheel is verloren een bedrag van ƒ 548.01½.

Een eenvoudig rekensommetje door de verschillende winst- en verliesrekeningen van het April-nummer bij een te tellen, maakt dat uit. Er zal aan suiker wel verdiend zijn en er zal aan Handel wel weer verloren zijn, maar het juiste bedrag is niet met zekerheid voor elke afdeeling vast te stellen. Ik meen evenwel, dat ook het eindcijfer, het totaalcijfer niet geheel juist is en kom daarop zoo meteen nog terug.

Bij het nagaan der cijfers van de gecombineerde balans moet men er dus ook aan denken, dat alles één geheel is. In kas was dan op 31 December 1923 ƒ 797.43½. Hoeveel geld is ontvangen en uitgegeven door de verschillende afdeelingen is weer niet met zekerheid na te gaan, maar het eindresultaat is, en dat is het wat ons nu alleen belang inboezemt, dat we in kas hadden bovenstaand bedrag. Evenzoo is toen het tegoed bij de post-cheque en girodienst geweest ƒ 2513.70. Bij de post debiteuren merk ik op, dat het bedrag eigenlijk ƒ 1000.— hooger is, maar men heeft voor dubieuze betalers afgetrokken ƒ 1000.—. Ook dit bedrag, het heeft betrekking op de bekende zaak met de Geld. Vallei, komt vermoedelijk terecht.

Bij de posten voorraden, diverse voorraden en meubelair merk ik op, dat de accountant niet instaat voor de juistheid der taxatie. Maar wél deelde hij mij mede, dat er zijns inziens geen redelijke termen bestaan aan die juistheid te twijfelen.
Onze voorzitter deelde mij mede, dat hij van oordeel is, dat de waarde van het huis veel te laag is opgenomen in de balans, hij schat de waarde op ƒ 20000. —. De accountant noemde het een goed en goed gelegen pand, zoodat inderdaad de waarde wel meer dan ƒ 12000,— zal zijn. Indien men nog wat huiverig is voor de schatting der roerende goederen, dan wordt dat toch stellig weer goedgemaakt door de laag geschatte waarde van het huis, zoodat wel veilig mag worden aangenomen dat de baten op 31 December 1923 inderdaad bedroegen ƒ 57611.45.

Bij de schulden heb ik geen op- of aanmerkingen, deze cijfers zijn duidelijk. Ter voorkoming van misverstand is het evenwel raadzaam even te vertellen, dat het bedrag dat de heer Frankenhuis noemde op de Alg. Verg. als schuld bij de Nijmeegsche Bank, het bedrag is, dat wij schuldig waren op 1 April 1924. De nu gepubliceerde cijfers hebben betrekking op den toestand op 31 December 1923.

Het eindresultaat is, dat wij op zijn minst hebben een bezit van ƒ 37611.05. En nu kan men zeggen, dat is zooveel voor dit en zooveel voor dat, zooveel voor het suikerfonds en zooveel voor wat anders. Ik vind dat niet erg gewichtig en ook weer wat willekeurig. De hoofdzaak is, dat wij een mooi bezit hebben en er finantieel niet kwaad voor staan.

Aan de hand van bovenstaande cijfers en becijferingen heb ik ook de winst- en verliesrekeningen eens nagegaan en dan kom ik tot het inzicht, dat we meer hebben verloren dan in totaal ƒ 548.01½. Immers wij hebben een kapitaal van ruim ƒ 37000.—. Daarvan is het huis een onderdeel. In de winst en verliesrekeningen is wel het huis verantwoord, huur ƒ 715.—, kantoorhuur ƒ 350.— en de tuin. Maar van de rente van de rest van het kapitaal ruim ƒ 25000.— is niets te bespeuren. Nu weet ik wel, dat dit geld gestoken is in de afdeelingen, vooral afd. Handel, en dat is geschied geheel in overeenstemming met besluiten der Alg. Verg., maar dat neemt niet weg, dat dit kapitaal als we het belegd hadden, rente zoude hebben opgebracht, gerekend naar 5% ruim ƒ 1250.—.

In 1923 hebben we totaal verloren ƒ 548.01½ en daarenboven geen rente gemaakt van een kapitaal van ruim ƒ 25000.—, zoodat we een schade hebben beloopen van bijna ƒ 1800.—.

Bij het nagaan der gecombineerde balans en bij het schrijven van het bovenstaande, rees bij mij de vraag, welke wel bij veel leden zal zijn gerezen, of wij wel van ons bezit het meest mogelijke nut trekken. De beantwoording dier vraag zou mij hier te ver voeren, maar toch wil ik als mijne meening zeggen, een meening, welke nog versterkt is door mijn gesprek met de heer accountant en niet veranderd is door een onderhoud met onzen voorzitter, dat wij veel meer genot van ons kapitaal kunnen en moeten hebben. Naar mijn overtuiging ligt de fout bij afdeeling Handel. Deze is veel te duur voor hetgeen ze geeft en ooit zal kunnen geven Maar deze questie is of wordt gesteld in handen eener commissie en kan op de eerstvolgende Alg. Verg. behandeld worden.

De bedoeling van mijn schrijven is uitsluitend geweest een steentje bij te dragen om de rust en het vertrouwen in onze vereeniging te herstellen en te bevorderen en ik hoop, hierin althans eenigermate te zijn geslaagd.

Lent, Juni 1924.
Mr. Ebbinge Wubben.