Om en in den Bijenstal.

(Juli.)
De zomer schrijdt snel voort, de dagen worden korter, de schemernachten van den middenzomer zijn voorbij. De zon die op 21 Juni in het sterrenbeeld van „de Kreeft" stond loopt weer terug naar dat van „den Leeuw". Daarom zong Huigens van deze kentering:

'tSonnen-radt begint te stooten
Tegens Noorder Kreeften-heck
En die kromme krauwel-pooten
Slepen 't naer den Leeuwen-neck
Daer met gaen de daeghjens krimpen,
Die men langer hoopt als heit;
Hey! wat 's al de Werelds glimpen,
Win als tegenwoordigheit.


De machtige levensspankracht der natuur had reeds in Juni haar hoogtepunt bereikt. Nog eenmaal komt er een nieuwe kleinere golf van groei, welke in Augustus blijft nawerken en vooral in 't Sint-Janslot goed is waar te nemen. De zon, die aan den helderen hemel blakert, doet met haar groote kracht beken en plassen verdampen, bladeren verschrompelen, planten dorren en verkleuren en vruchten rijpen. De blonde kleur van 't hooi en 't rijpend graan komt mooi uit tegen 't groen der naweiden en bosschen. De hooge en rustige wolken aan den lichten zomerhemel, of boven den horizon bij ondergaande zon, geven 't Hollandsche landschap een bekoorlijkheid, welke zelfs de Zuiderlanden en 't Alpenlandschap niet kennen.

In de hitte der zomerzon arbeiden de bijen van den vroegen morgen. Is de avond gekomen, dan is 't kalm in den stal en hoort men op eenigen afstand het vredige gonzen der rustende bijen, terwijl een sterke honiggeur tot ons doordringt.
De zwermdrift is in deze maand in hoofdzaak voorbij en is overgegaan in een drift om honig te halen. De broednesten worden over 't algemeen minder en daarmede is er minder voorraad noodig om de jonge larven te voeren, zoodat er meer honig in de magazijnen kan opgelegd worden. De natuur begint reeds langzaam aan voor den winter voor te bereiden.

De imker heeft thans in zijn stal afgezwermde of moederstokken, voorzwermen, nazwermen, broedafleggers, kunstzwermen, omgehangen volken enz. De afgezwermde volken zien er thans heel anders uit dan enkele weken geleden. Toen waren er sterke gelederen van bijen, welke nu zeer zijn gedund. Het broed werd rijp en is uitgeloopen. Zoolang de bijen nog wat los uit elkander zaten, is de jonge koningin nog niet bevrucht. Is deze echter begonnen met eitjes leggen en wordt dus een nieuw broednest gevormd, dan trekken de bijen hooger tusschen de raten op, concentreeren zich meer en zitten dichter opeen. Dit is dadelijk te zien, wanneer men een korf omkeert.

Ook de nazwermen met hun jonge moeders komen nu sterker in broed. Als men nagaat, dat de jonge bijen drie weken in de cel moeten leven, en dan nog ongeveer 18 dagen wachten, voor ze draagbijen worden, dan kan men wel begrijpen, dat nazwermen sterk moeten zijn en vroeg in een woning gebracht moeten zijn, willen ze in Juli voldoende van de hoofddracht profiteeren. Voor vele streken is het dan ook van belang te zorgen, dat de volken reeds in Mei zwermrijp zijn.

In deze maand vertoonen vaak de voorzwermen neiging om te zwermen, vooral wanneer ze vroeg zijn gekomen (b.v. in 't laatst van Mei). Wanneer zulke voorzwermen in een ledige woning zijn gebracht, werken zij zeer hard en bouwen flink. Volgt er op dagen van gewin een klein tijdperk van stilstand, dan leggen die volken zich sterk toe op 't vormen van broed, bouwen snel darrenraat, zetten koninginnenapjes aan, en krijgen dus zwermplannen. Wordt het gewin weer gunstig en regelmatig, dan worden de koninginnenapjes niet van eitjes voorzien en blijven soms weken staan, terwijl de zwermplannen zijn opgegeven.

Strookorfimkers weten een goed middel om het zwermen van genoemde volken tegen te gaan. Ze trommelen het volk af en ook de bijen uit een stok met een jonge koningin. Daarna worden beide volken van korf verwisseld. De volken met jonge koninginnen zijn lang zoo zwermlustig niet als die met oude moeders. Wie voorzwermen in kasten heeft, kan er raten met broed uitnemen en deze in kasten hangen met nazwermen. Men moet dit echter tijdig doen, want heeft de voorzwerm eenmaal koninginnecellen met eitjes of larven, dan worden meestal de zwermplannen doorgezet, al neemt men een paar raten broed weg.

Bij gunstig gewin kan men een voorzwerm al tijdig ruimte geven door het broednest regelmatig uit te breiden, door telkens een raampje met kunstraat in 't broednest te zetten, nadat men een paar broedraten wat heeft verplaatst. Zoo hebben de bijen dan langzamerhand een groot broednest te onderhouden en denken ze meestal niet aan zwermen. Dit hangt van 't juiste ingrijpen van den imker en ook van weer en gewin af.

In den loop van deze maand bezwijken niet zelden de oude moeders van voorzwermen. Dit komt waarschijnlijk doordat er te veel van haar levenskracht wordt gevergd. In vele gevallen treedt dan een eierleggende werkbij op, ook wel valsche moer genoemd, waardoor een wantoestand ontstaat, welke zoo spoedig mogelijk moet hersteld worden. Een volk raakt aan zoo'n eierleggende koningin zoo gehecht, dat het geen normale koningin, open of gesloten moerdop wil aannemen en uit werkbij-eitjes of jonge larven geen moeder wil kweeken. Daarom moet men die verkeerde koningin eerst uit het volk verwijderen door dit op eenigen afstand van den stal te zetten, waarna de bijen weer terugvliegen en de bedoelde koningin met eenige bijen overblijft om gedood te worden.

Men moet op elken bijenstand van eenig belang zorgen, dat er in Juli bevruchte koninginnen in voorraad zijn. Elk jaar hoort men de klacht, dat sommige imkers de bijen niet in de honigkamer kunnen krijgen, wanneer deze voor de hoofddracht is opgezet. In de eerste plaats moet het volk sterk zijn en in de broedkamer een flink broednest hebben. Is die kamer nog niet geheel volgebouwd, dan moet men deze door een of twee scheidingsplankjes verkleinen. Heeft 't volk boven 't broednest reeds een gordel verzegelden honig, dan is alles in de bijenhuishouding meer nauwkeurig geregeld en gaan ze niet gaarne over dien gordel door een rooster in een bovenkamer, wat niet met haar orde overeenkomt of het moest zijn, dat ze door gebrek aan ruimte worden gedwongen. Men moet in de eerste plaats dien verzegelden honig ontzegelen en dan de bijen in de bovenkamer lokken door daar b.v. een of twee raampjes met open broed, of een raampje met verzegelden honig te hangen. Dan wordt die honigkamer geleidelijk al meer in gebruik genomen en bij goed gewin bergen de bijen daar dan haar honig op.

Meestal maken de bijen in de laatste helft van deze maand een begin om zich van de darren te ontdoen. Dit hangt er van af, hoe 't weer is. De bijen drijven de mannetjes uit het nest naar een hoek van de woning, waar ze door gebrek aan voedsel en door koude al meer en meer krachteloos worden, om weldra te sterven. De bijen dragen de doode darren naar buiten, of de imker moet haar dit werk besparen, door de bodemplank even schoon te vegen.

In Juli moet de imker vooral letten op de wasmot. De vlindertjes en de larven moeten zooveel mogelijk gedood worden. Vooral zwakke volken kunnen er veel last van hebben. De imker moet bij elke behandeling zijner volken op deze boosdoeners letten.
Padden kunnen heel wat bijen eten. 't Zijn echter nuttige dieren, die niet gedood moeten worden, doch welke men op eenigen afstand van den stal brengt. Eveneens is dit 't geval met egels, welke men soms 's avonds en 's nachts bij den stal kan vinden. Zwaluwen schijnen in hoofdzaak darren te eten en pikken ook wel jonge koninginnen weg, welke op bruidsvlucht zijn. Bepaald schadelijk zijn ze voor de bijen niet, doch kunnen voor den imker lastig worden. Wij kennen imkers, die niet dulden, dat aan hun huis zwaluwen bouwen, omdat de ondervinding hun heeft geleerd, dat zij meerdere jonge moeders verloren, wanneer zij de zwaluwen zoo dicht in de buurt hadden.
Men vindt soms boven in een kast of op een korf een groote familie oorwormen. Deze doen geen kwaad, doch zoeken een warm hoekje.

In Juli viel in vroegere jaren in de zandstreken de hoofddracht op de boekweit. Thans is dit niet meer 't geval. In de eerste plaats wordt er weinig boekweit meer verbouwd, en bovendien scheiden de bloempjes in de meeste jaren zelfs bij gunstig weer weinig honigsap af, wat moet liggen aan de grondbewerking of de bemesting, of aan beide. Op de klaver valt in heel wat streken de hoofddracht. Op de kleigronden geven de bloempjes heel wat meer dan in zandstreken. In tuinen vindt men de bij op reseda, salie, liguster, bernage, sneeuwbes, slaapbol, ui enz. Ook worden de vergiftige planten bevlogen als: bilzenkruid, doornappel, monnikskap en vingerhoedskruid, waarop men vooral ook hommels ziet. De dopheide op de lagere heidevelden is van belang. Het duifkruid (Scabiosa columbaria) met zijn kleine bleekblauwe bloem als hoofdjes samengevoegd; de honigbloem (Knautia arvensis) met bloemen die op dezelfde wijze zijn gevormd, doch meer roodachtig; de blauwe knoop (Succisa pratènsis) met dezelfde soort bloemen, welke op vochtige weiden worden gevonden, zijn alle rijk aan honigsap. Terwijl we dit schrijven, geeft de vuilboom in onze streken nog heel wat. Ook de korenbloem wordt druk bevlogen. De linde kan in Juli heel wat geven.

T.C. Hootsen.