Ingezonden.
Op de laatste alg. verg. hield de heer Frankenhuis een onrustbarend betoog, naar aanleiding waarvan ik den heer accountant de vraag stelde, hoeveel onze vereeniging eigenlijk in haar geheel bezat. Het gevolg van deze vraag is geweest, de publicatie van de gecombineerde balans in het Meinummer, waaruit bleek, dat wij op 31 December 1923 een bezit hadden van ruim ƒ 37000.—. Ik gaf in het Juninummer hierbij eenige toelichting, daarbij gebruik makende van de mij welwillend door den accountant en onzen voorzitter verstrekte nadere inlichtingen. Ik gaf als mijn meening te kennen, een meening welke ik nog koester, dat wij een aardig kapitaal hebben en er financiëel niet kwaad voorstaan. Verder ging ik de verschillende winst- en verliesrekeningen na en kwam tot de conclusie, dat we een totaal verlies hadden gemaakt in 1923 van ƒ 548.01½, welk bedrag vermeerderd moest worden met de niet gekweekte rente ad ruim ƒ 1250.—. Terwijl ik ten slotte betoogd heb, dat wij hoofdzakelijk ten gevolge van het beleid bij afd. Handel veel te weinig genot van ons bezit hebben.
Meer heb ik niet gezegd en nu valt de heer Frankenhuis mij aan op allerlei punten, waarover ik het absoluut niet heb gehad. Een allerzonderlingste handelwijze, zeker niet bevorderlijk voor de waarheid en klaarheid.
Slechts één enkel terzake dienend punt roert de heer Frankenhuis aan en dat is het saldo der rekening-courant bij de Nijmeegsche Bank. Ik heb hierover nog eens gesproken met den heer accountant en tegenover de bewering van den heer Frankenhuis stel ik de verklaring van den accountant en ik voor mij geloof onvoorwaardelijk hetgeen de accountant zegt.
Trouwens mocht de heer Frankenhuis gelijk hebben, dan nog was ons bezit zooveel te grooter.
Op al hetgeen de heer Frankenhuis verder zegt, ga ik niet in. In de eerste plaats niet, omdat zooals ik boven reeds heb uiteengezet, ik het daarover in het geheel niet heb gehad. In de tweede plaats niet, omdat we nu een commissie hebben, die al die dingen zal onderzoeken, zoodat we op de volgende alg. vergadering aan de hand van het rapport dier commissie die zaken kunnen behandelen. Alle geschrijf en elk debat over deze dingen acht ik nu voorbarig en absoluut nutteloos.
Lent, Juli 1924
Mr. Ebbinge Wubben.
P.S. Een ongelukkig verschijnsel is het, dat zoo veel menschen, nu ook weer de heer Frankenhuis geen personen van zaken weten te onderscheiden en dat men argumenten zoekt in onnoodige hatelijkheden. Wat heeft het toch voor nut over mij te schrijven met Z.W.E.G., met Z.E.G. en met beste heer E.W. Waarom nu weer mijn betrekking er met de haren bij te slepen? Ik zou den heer redacteur in overweging willen geven in den vervolge elk artikel te weigeren, waarin niet elk persoonlijk element ten strengste vermeden is.