De schrompelvleugel, zijn ontstaan en schade.
Wanneer wij na eenige koude regendagen in den zomer bij onze bijenkasten komen, merken we vaak op het middaguur, wanneer de jonge bijen hun eerste vliegoefeningen houden, bijen op zonder vleugels of met verminkte vleugels. Soms zijn de vleugels aan den top misvormd, soms als een touwtje opgerold, ja soms geheel tot balletjes saamgekrompen. De jongje bijen, die aan dit euvel lijden, vallen van de vliegplank en martelen nog eenigen tijd op den grond, waarna zij sterven.
Om de oorzaak van dit gebrek op te sporen, dienen we even na te gaan, hoe de bijenvleugel zich ontwikkelt. Bij de nog ontwikkelende pop ontstaat op die plaatsen, waar de vleugels bij 't volwassen dier voorkomen, een zakje, een soort huiduitstulping. Deze uitstulping is gevuld met bloed en groeit (rekt) naarmate de bloedinhoud vergroot. Teneinde dit orgaan van de noodige zuurstof te voorzien, vertakt zich hierin een stelsel van luchtbuizen zooals ze overigens door 't geheele insectenlichaam voorkomen.
Eindelijk verharden die luchtbuizen meer en meer en vormen zoodoende een stevig frame, zooals we dat in den vleugel van de volwassen bij aantreffen. Nu trekt zich langzaam het bloed terug, zoodat het zakje plat wordt. De wanden raken elkaar. De drogere huid is nu gespannen over het frame van luchtbuizen en de vleugel heeft zijn vorm gekregen. Daarna ontstaan de openingen met klepjes voor luchtdoorstrooming enz. Dit is de normale afwikkeling van het groeiproces van den vleugel.
Indien evenwel het toeval wil, dat het broed sterk afkoelt tijdens de ontwikkeling, treedt een ander verschijnsel op. Het bloed van de pop n.l. is aanmerkelijk warmer dan de gemiddelde buitentemperatuur. Bij afkoeling van buiten af, zal zich het bloed ontijdig uit de nog onvolwassen vleugels terugtrekken.
Het luchtbuizenstelsel is nog niet volvormd en heeft nog niet zijn stevigheid, zoodat het geen of slechts onvoldoende weerstand bieden kan aan de samentrekkende huid van 't geledigde bloedblaasje. 't Gevolg is een misvorming van 't luchtbuizenstelsel en daarmee dus een misvorming van den geheelen vleugel.
Wanneer na een tijd van groote hitte een periode van koud weder volgt (Juli 1924) zien we dit verschijnsel in meerdere of mindere mate, soms vrij hevig, optreden. Door 't warme weder hebben de bijen hun broednest flink sterk uitgebreid. Door 't plotselinge koude weder kunnen zij dat groote broednest niet meer op de optimumtemperatuur houden en 't gevolg is een soms vrij sterke afkoeling van een gedeelte van het broed, welk feit zich het eerst uit in misvorming van de vleugels der nog ongeboren jonge bijen.
Dat de schade vrij groot kan zijn, ligt voor de hand. Zoolang de jonge bij binnenshuis haar werk heeft, en dus haar vleugels niet noodig heeft, geeft het niets. Bij de eerste de beste reinigingsuitvlucht die zij houdt (soms reeds na eenige dagen) is ze voor de kolonie verloren, aangezien zij wel de lucht in wil, doch niet bij machte is in de woning terug te keeren.'
Uit het bovenstaande moge nogmaals blijken hoe gevaarlijk het is bij koud guur weder de bijenwoning te openen, vooral wanneer koude invallende wind de zaak nog verergert.
Nijmegen,
J.B.H. JANSEN v.d. WORP.