Om en in den Bijenstal.
(October).October is gekomen en steeds korter worden de dagen. Nu eens heeft men kil en mistig weer, dan weer kouden regen of donkere luchten met dreigende, jagende wolken, waarachter de bleeke herfstzon schuilgaat. Soms doet de storm zich met kracht gevoelen.
De dichter Bilderdijk zingt er van:
Reeds daalt met een omwolkt gezicht
de zon vroegtijdig neder
en later toont haar zwakker licht
zich aan den hemel weder.
Het schoon seizoen is heengesneld,
en reeds wordt op het dorre veld
de ruwe storm vernomen;
het laatste bloempje neigt ter aard,
en d'adem van den herfst ontblaart
de schaduwrijkste boomen.
October kan ook prachtige dagen geven, waarop men den herfst in al zijn pracht ziet. In de heldere zon prijkt het loover der boomen in een schoonen rijkdom van kleuren en tinten in bruin en geel. Men ruikt de run van 't eikenloof. Geen vogel jubelt meer in 't eenzaam bosch, waar kort geleden nog zooveel leven was. Men voelt thans de groote overgang in de natuur, van het machtige zomerleven tot de groote winterrust. In de weelde der kleuren, in de vredige herfststemming voelt men de majesteit der natuur.
't Is stil aan de vlieggaten der bijenwoningen, vooral in de kille morgenuren. Wanneer men dan een korf omkeert, zoo bespeurt men, dat de bijen stil tusschen de raten zitten en alleen even met de vleugels trillen, waarbij een zacht ruischend geluid ontstaat. Stijgt de temperatuur bij 't rijzen der zon, dan komt er wat meer leven in het bijenvolk en ziet men eenige beweging aan de vlieggaten. Enkele bijtjes vliegen af en aan en halen nog wat honig en stuifmeel op laatbloeiende herik en spurrie. Nog komen een paar arbeidsters binnen met propolis.
Evenals de geheele natuur, zoo gaan ook de bijenvolken de winterrust in. Er is thans geen broed meer te verzorgen en daarmede is de groote taak der voedsterbijen afgeloopen. Er zijn in de laatste weken heel wat bijtjes gestorven, wat men in de woning goed kan bemerken, omdat er minder raten met bijen zijn bezet dan een paar maanden geleden. Het volk trekt zich ook meer op elkaar, om de noodige warmte te behouden.
De werkzaamheden in de woning beteekenen niet veel meer. De laatste broedcellen, waaruit de jonge bijen zijn gekomen, worden door de arbeidsters terdege schoongemaakt, zoodat de bodems glimmen. Enkele bijen zijn nog bezig honig uit onverzegelde cellen der buitenste raten over te brengen meer naar 't centrum van de woning, dus meer in de nabijheid van 't winternest (de winterzitplaats) der bijen.
Zoo gaan de bijen den grooten strijd tegen de winterkoude tegemoet.
Laat de imker ze inwinteren, dus op doelmatige wijze helpen, wat in deze maand zoo spoedig mogelijk moet gebeuren. In de eerste plaats moet er gezorgd worden voor voldoende hoeveelheid voedsel, wat in de vorige maand reeds is besproken. Van belang is het een gedeelte heidehoning te ontnemen en daarvoor suikerstroop in de plaats te geven. De raten in het winternest moet men laten staan, om de orde in de bijenhuishouding niet te storen en de kern van het bijenvolk zoo rustig mogelijk te houden. Staan bij dubbelwandige kasten de buiten- en binnenwand te ver van elkaar, dan ontstaat er in die ruimte circulatie van de lucht en daarmede afkoeling. Die ruimten moeten daarom opgevuld worden.
Bij goed gebouwde kasten, waar die ruimte niet groot is, steekt men opgevouwen kranten tusschen binnen- en buitenbak. Papier houdt goed de uitstralende warmte tegen. Voor het opvullen van grootere ruimten en voor warmtebehoud kan men ook mos, stroo of houtwol gebruiken. Wij hebben meermalen losse turf gebruikt, welke het voordeel heeft, dat deze gemakkelijk het schadelijke vocht opneemt. Hooi is niet aan te bevelen, daar dit spoedig schimmelt en nat wordt, en dan gemakkelijk de warmte geleidt.
Enkelwandige kasten moeten bedekt worden op de zijkanten, of anders dicht bij elkaar worden geplaatst, waarna men de ruimte opvult met mos. Moet een enkelvoudige kast buiten een stal overwinteren, dan kan men haar in asphaltpapier pakken. Kasten mogen de honigkamers niet behouden, wat te veel schadelijke ruimte zou geven, waardoor te veel warmte zou verloren gaan. Bij kasten, welke van boven worden behandeld, legt men boven op de raampjes eerst enkele dunne latjes en daarop de kleedjes, zoodat de bijen gemakkelijk over de bovenlatjes der raampjes in de verschillende straten tusschen de raten kunnen komen.
Men moet zorgen de kasten van boven flink af te dekken, niet alleen met een paar kleedjes, doch ook met strookussens (welke in den handel zijn) of met kussens, gevuld met papier, mos of houtwol. De strookussens alleen sluiten de kast van boven niet voldoende af.
Hebben kasten een dunnen bodem, soms met reten, zooals wij ze meermalen zagen, dan zijn ze te koud voor de bijen, wanneer ze buiten vrij worden opgesteld en de koude Oosten- of Noordenwind er onder door kan strijken. Men zorgt dan ook aan den bodem voor een betere afsluiting.
Boogkorven kan men b.v. op 8 raampjes overwinteren. Men kan bij zulke korven de overbodige ruimte warm opvullen, of waar 't noodig is twee scheidingsplankjes een weinig van elkaar zetten en de ruimte daartusschen opstoppen.
Groote vlieggaten als bij de Simplex mogen wel wat verkleind worden. Bij ronde strookorven stopt men vaak het geheele vlieggat vol kalk, om er dan b.v. met een potlood een gaatje in te maken. Zoo 'n vlieggat beveiligt wel tegen bezoek van muizen, maar is toch te klein. In de eerste plaats is de luchtverversching onvoldoende en bovendien raakt zoo'n vlieggat licht verstopt, wanneer de uitgeademde waterdamp der_bijen daar als water neerslaat en daarna bevriest. Ook bij de roerziekte verstopt niet zelden een enkele bij den nauwen ingang. Men kan bij een ronden korf het vlieggatt gemakkelijk met pinnetjes verkleinen, of met een plankje waarin een nauwe, lange opening is gesneden, waardoor meerdere bijen tegelijk naar buiten kunnen en welke toch geen toegang geeft voor muizen.
In korven met dunne wanden of in die waarvan de strooranden (door
te ondiep steken bij 't vlechten) elkaar maar even raken, zitten de bijen te koud. Zulke korven moeten met een strooien kap of desnoods met zakken warmer afgedekt worden.
Wanneer de bijen goed zijn ingewinterd en verpakt, en bovendien goed van voedsel zijn voorzien, dan kunnen ze veilig den guren winter trotseeren, wat een prettige gedachte is voor den imker, wanneer hij bij ruwe sneeuwbuien of strenge vorst zelf een gezellig plaatsje heeft bij den warmen haard, waar hij door lectuur zijn kennis verrijkt van 't leven der bijen en haar behandeling en dan nog eens terugdenkt aan hetgeen hij 't vorige bijenjaar heeft beleefd op dit gebied.
T.C. Hootsen.