Om en in den Bijenstal.
(Lentemaand)
Lentemaand kan mooie dagen met heerlijken zonneschijn geven. Dan vertelt alles, dat de lente in aantocht is. Maar den volgenden dag blaast weer de felle Noordenwind en komen de Maartsche buien.
Gure buien streng en straf
Hageljacht en wilde vlagen,
Storm en regen alle dagen:
Mag de maand den naam wel dragen,
Dien men haar te roekloos gaf?
't Tjilpend vogeltje, uitgedost,
Moe van 't fladd'ren, zit te hijgen
Op de bladerlooze twijgen,
Toont te twijflen door zijn zwijgen,
Of het ook heeft misgetast.
( v.d. Broek.)
Bij gunstig weer bloeien in tuinen sneeuwklokje, crocus en narcis. Op eenigszins beschutte plaatsen ziet men in 't wild de mooie gele bloempjes van 't speenkruid. De larix en taxis bloeien. De katjes van den hazelaar en de els stuiven of zijn reeds uitgebloeid.
De bijen hebben reeds haar reinigingsvlucht gehouden, zooals we in de vorige maand beschreven. 't Was toen de volgende dagen nog te koud en
guur om de bijenvolken te onderzoeken. Thans komen er dagen dat 't weer iets milder wordt en daarmede komt de gelegenheid om eens een kijkje te nemen, al moet dat vooral bij kasten wat vlug geschieden. Voor men de bodemplank afveegt, kijkt men even of onder de doode bijen ook de koningin is. De kans is zeer klein, doch 't is mogelijk. Ook let men op, of er doode darren bij zijn, welke gemakkelijk aan den grooten kop zijn te kennen. Mocht men er vinden, dan wijst dit er op, dat de koningin oud is, of onbevrucht. Het kan ook zijn, dat er geen koningin aanwezig is.
Soms vindt men op de bodemplank doode bijennimfen, welke de bijen uit de cellen hebben getrokken. Sommige'„beginnende imkers" maken zich hierover wel eens ongerust en meenen, dat dit uit gebrek aan voedsel geschiedt. Er is echter een vreemde indringer in 't broednest geweest. De rups van de wasmot heeft een gang gegraven onder de wasdekseltjes van 't broed. Men kan haar bij goed onderzoek sporen, daar de gang steeds met spinsel is bekleed, en hier en daar vindt men de uitwerpselen als kleine zwarte korreltjes. De wasmotgang ligt in 't broednest tusschen de dekseltjes en de koppen der nimfen. Er zijn er van de laatste gestorven en de bijen trekken deze uit haar cellen. Ook de wasmotrups wordt uit zijn gang gehaald, wat veel moeite kost door het hinderlijke spinsel. Meestal vindt men de booswicht daarna dood op de bodemplank.
Het opveegsel van die plank moet men zorgvuldig zeven, want de wasdeeltjes der stukgeknaagde dekseltjes van de honigcellen bevatten een zeer hoog percent zuivere was. Voor dat zeven is een reisraam van de Simplexkast te gebruiken. Door de mazen van de zeef gaan ook zandkorrels, en honigkristallen. Werpt men het gezeefde in een bak met warm water, dan zakken de zandkorrels naar den bodem en lossen de honingkristallen op. De was kan men van 't water nemen, drogen, en later verwerken.
Van veel belang is het de bodemplank niet alleen af te vegen doch terdege schoon te maken. Bij kasten kan men de bodems vervangen door frissche bodems, welke men in de kasten-bergplaats heeft.
De imker zal ook de kast boven losmaken en niet zelden bemerken, dat de bedekking min of meer vochtig is geworden. Men hangt de kleedjes of stroomatten in de zon, zoodat alles goed kan luchten en drogen.
In de eerste plaats ziet men de raten na. Zijn de raten der kast op de zijkanten beschimmeld door de inwerking van vocht, dan neemt men deze weg en hangt er goede voor in de plaats. Ook kan men er b.v. aan één zijde tijdelijk een scheidingsplankje voor in de plaats hangen. Misschien is er een raat bij, die niet mooi in 't raampje is gebouwd, of aan de zijlatjes los is, waardoor niet zelden de raat vooral aan de benedenzijde wat naar buiten uitsteekt, dus iets krom staat. Zulke raten moeten niet in de kast geduld worden. De imker moet de grootste zorg besteden aan goed gebouwde raten, die zeer nauwkeurig in de raampjes zitten.
Hangt er in de kast een raampje met veel darrencellen, zoo wordt dit ook door een ander vervangen. Dit gaat moeilijk wanneer het in 't broednest hangt en de arbeidstercellen ervan reeds van broed zijn voorzien. Toch moet men zoo'n raampje op 't bovenlatje teekenen en het later, desnoods geleidelijk naar den buitenkant van het nest brengen. Hangt in het nest een raampje dat b.v. voor een gedeelte nog niet is volgebouwd, dan zullen de bijen het gaarne vullen door er verder darrencellen te bouwen. Om dit te voorkomen moet de open ruimte met kunstraat gevuld worden, zoodat er alleen arbeidstercellen worden aangebouwd.
De imker moet het broednest even bekijken. Is 't broed niet goed aangesloten, dan is wellicht de koningin oud. Het kan echter ook zijn, dat ze nog „weinig zomers" telt, doch aan een der pooten de kleine haakjes niet, waardoor ze zich bij 't leggen van een eitje niet voldoende aan den rand der ctel kan vasthouden. (Wij hebben in den loop der jaren dit gebrek nog al eens opgemerkt en hebben wel eens gemeend, dat het meermalen gepaard gaat met een gebrek aan de vleugels, waardoor zoo'n koningin bij 't zwermem niet mee in de lucht kon en op den grond viel, waardoor de zwerm weer terug vloog.
Wie vertelt hier eens zijn ondervindingen? Zulk een moeder moet men ter gelegener tijd met een normale verwisselen.
Let op en teeken aan hoe de honigvoorraad is, dan kunt ge tijdig voeren, doch lok hierbij geen roofbijen. Uw volken hebben in dezen tijd, vooral voor het bereiden van voedersap, water noodig. Spaar haar zooveel mogeliijk het uitvliegen om water te halen bij ongunstig weer. Men kan water geven b.v. in Thüringer flesschen. Ook kan men een drinkgelegenheid maken op een beschutte plek bij den stal. Duldt geen moederlooze volken.
T.C. Hootsen.