De Tweede Nederlandsche Imkersdag.
Is eene Warme inwintering foutief?
ledere fruitkweeker Imker!
Perspectieven voor een loonender afzet van honing.
door JOH. A. JOUSTRA.
„Wat dunkt U, zouden we genoeg menschen bij elkaar krijgen om een Tweede Imkersdag te Elst te organiseeren?"
Aldus wendde de Heer Ebbinge Wubben zich tot mij op de voorlaatste Hoofdbestuursvergadering, toen in beginsel besloten was de Tweede Nederlandsche Imkersdag in het hartje van de Betuwe te houden.
De voorbereidingstijd zou kort zijn, terwijl het te voorzien was dat het Aprilnummer van ons Maandschrift niet op tijd zou kunnen verschijnen, doch waar een wil is, is een weg en het antwoord luidde dan ook niet ontmoedigend: „we zullen ons best doen".
En zie, daar stroomden de deelnemers op den 2en Mei tezamen, trotseerende de kille regenbuien, het stormachtige weer, de mogelijkheid, dat de opkomst zeer gering zou zijn.
Want wel was bekend, dat de aanmeldingen de verwachtingen verre overtroffen, dat het getal 230 reeds gepasseerd was, doch menig deelnemer zal zich in den nacht van 1 op 2 Mei, wakker geworden door de orkaan die er woedde, afgevraagd hebben, wat moet van dien Imkersdag terecht komen?
Reeds onderweg werden we gerustgesteld, toen we geheele clubjes uit Haarlem, Amsterdam, Amersfoort, Hilversum en uit verschillende andere plaatsen ontmoetten en men kon het aan de gezichten zien en aan de gesprekken hooren, de Tweede ïmkersdag welke onze Vereeniging georganiseerd had zou slagen.
Toch, men kon nooit weten, hoe zou het met de imkers uit andere streken van ons land gesteld zijn, zouden die óók zooveel goed geloof en zooveel moed bezitten, om de risico te loopen, doornat thuis te komen bij een verloren dag.
Hoe helderden echter de gezichten op, toen bij het binnentreden van „De Vereeniging" de zaal reeds tjokvol bleek te zijn en de Imkers van heinde en verre waren saamgestroomd, om deel te nemen aan het Imkersfeest. Want een feest was het voor de Imkers met elkaar in groote getale te kunnen samenzijn in het bloeiende dorp Elst, in het in dezen tijd van het jaar mooiste gedeelte van ons land.
Overal zonlachende gezichten, overal een hartelijk welkom, vriendelijke gesprekken, vroolijke kout.
En steeds meer stroomden de bezoekers binnen, duwend en schuivend om een plaatsje te vinden in de nu tot berstens toe volgestopte zaal.
Dan ..... een korten tik van den Voorzitter op de tafel en de gesprekken verstomden.
„Het is een eigenschap van Imkers", zeide hij, „dat zij nooit wanhopen en daarom zijn zij ondanks het zeer slechte weer hier saamgestroomd om met ons vandaag in een paradijs te wandelen."
De Heer Ebbinge Wubben begon een zeer geheimzinnig verhaaltje, voor niet in Imkerskringen ingewijden, over het plaatsen van zgn. Spiekorven en in een humoristisch getint speechje, deelde spreker mede, dat men hier te Elst een spiekorf had opgesteld, hopende, dat er een flinke zwerm zou binnenvliegen. Want de Betuwsche boomgaardbezitters zagen tegenwoordig zeer gaarne Imkers komen; nog liever hadden ze gezien, dat elke Imker een korf met bijen zou hebben medegebracht.
Nadat verschillende mededeelingen waren gedaan kreeg de Heer Ir. A. Minderhoud, onze welbekende bijenteeltconsulent het woord over zijne inleiding: „Iets over het inwinteren".
Spreker deelde de vergadering mede de resultaten van enkele door hem genomen proeven over de inwintering van een volkje onder zeer ongunstige omstandigheden en in de voor ons nooit te vergeten koude winter 1923-1924 (—18° C.).
Een nazwerm werd in den zomer van 1923 in een Simplexbroedkamer gedaan, waarvan de voor- en achterwand waren weggenomen en het geheel op een lossen bodemplank gezet, slechts met een katoenen kleedje afgedekt. In de raampjes was een stukje voorbouw (kunstraat) gedaan en het volkje aan zijn lot overgelaten.
Of eigenlijk is dit niet het juiste woord, want er werd voor gezorgd, dat het volkje midden in de broedkamer kwam te hangen.
Al heel spoedig begon het volkje te bouwen en bezette in September een 7-tal raampjes. Het volkje werd met suiker opgevoerd en aldus den winter ingestuurd.
Bij het kouder worden der dagen, kromp de bijentros ineen en telkens werd een raampje afgenomen, totdat het volk tenslotte op slechts 4 raampjes kwam te zitten. Bij een koude van —18 graden C. bleef het volk in leven, waarmede vastgesteld is, dat een bijenvolk onder de meest ongunstige omstandigheden ingewinterd, een zeer strenge winter kan doorstaan.
Wegens gebrek aan voedsel werd later een suikerborstplaat onder het kleedje gelegd en nu een zak over het volk gehangen.
Bij de voorjaarsinspectie bleek dit volk meer broed te bezitten, dan de warm ingewinterde volken. Ook bij andere volken merkte spreker op, dat de koud ingewinterde volken sterker door den winter kwamen, dan de warmer ingepakte volken. Het voedselverbruik was echter bij eerstgenoemden grooter.
Spreker waarschuwde echter nu reeds als vaststaand aan te nemen, dat koud inwinteren beter is dan warm inwinteren en gaf de vergadering in overweging deze proeven op groote schaal te herhalen, met een groot aantal volken.
Verschillende vragen werden vervolgens gesteld, over rooverij aan dit volk, honingopbrengst enz. welke alle door den spreker werden beantwoord.
Vervolgens kwam aan het woord de Heer Ir. R. v.d. Veen, Riikstuinbouwconsulent te Nijmegen, met het onderwerp: „De beteekenis der bijen voor de Fruitteelt".
De Heer v.d. Veen begon te wijzen op het feit, dat het nut van de bijen voor de fruitteelt nog nimmer zoo sterk naar voren is gekomen, als dit jaar.
Samenwerking komt tot stand tusschen boomgaardbezitters en Imkers, zooals wij dit jaar te Geldermalsen, Tiel en elders hebben kunnen zien. Naar spreker weet, zouden nog veel meer bijenvolken in de Betuwe geplaatst kunnen worden, indien daarvoor maar meer Imkers genegen waren.
De inleider bespreekt vervolgens de steriliteit en vertiliteit bij verschillende vruchtsoorten en wijst er op, dat de belangrijkste van onze fruitsoorten geen stuifmeel, doch kleefmeel bezitten en dus door insecten moet worden overgebracht.
Voor een goede fruitoogst is noodig, dat verschillende variëteiten van een bepaalde fruitsoort bij elkaar worden geplant en men tevens zorgt voor de noodige bijenvolken.
Aangezien men niet steeds bouwen kan op de Imkers, is het sprekers meening, dat de fruittelers zelf imker zullen moeten worden.
Ook de Heer v.d. Veen had verschillende vragen te beantwoorden, waarna aan het woord kwam de derde inleider, ons Hoofdbestuurslid de Heer H.A. Beil, met het onderwerp „Het honingvraagstuk".
(Wordt vervolgd.)