Teelt van Raathoning.

De moderne bijenteelt houdt zich vrijwel uitsluitend bezig met winnen van slingerhoning. En terecht, want in dezen vorm is de honing makkelijk te winnen, te verpakken en te verzenden. Bovendien wordt het produceeren van was bijna geheel overbodig, omdat we de uiteengeslingerde raten weer teruggeven. Zooals bekend, hebben de bijen circa 7 pond honing noodig om 1 pond was te kunnen maken. Door deze wasbesparing komt dus veel meer honing voor den imker disponibel en is dus de honingslinger een middel tot verhooging van de honingopbrengst.

Hoe groot evenwel de voordeelen van het winnen van slingerhoning ook zijn, men vergete niet, dat honing in de raat bij het publiek over iet geheel meer gewaardeerd wordt en daarom ook hooger in prijs is. Ongetwijfeld staat honing in de raat op de ontbijttafel ook mooier, dan in een glazen potje.
Bovendien is men over 't geheel de meening toegedaan, dat raathoning niet vervalscht kan zijn en daar men steeds wantrouwend staat tegenover het artikel honing, zal men ook om deze reden eerder raathoning dan slingerhoning koopen; althans deze ervaring heb ik opgedaan.

De primitiefste vorm van raathoning is wel de breekhoning, zooals hij werd en nog wordt gewonnen uit den kop van den ronden strookorf. Deze kopeinden van de raten, zooals ze in den korf zitten, zijn meestal extra breed uitgebouwd en vervaardigd van blanke was. Hoewel ook lager, dus in de één of meer keeren bebroede raat, vaak mooi verzegelde honing zit, zal men dezen toch liever uitpersen of slingeren dan als raathoning verkoopen. De eerste eisch toch waaraan, raathoning moet voldoen is wel deze, dat hij slechts uit maagdelijke raat moet zijn opgebouwd.

Ik weet wel, dat men vaak slechts ééns bebroede raat met mooi verzegelden honing gaarne als tweede kwaliteit raathoning aanbiedt, doch deze raathoning zal in de eerste plaats al veel minder in prijs zijn dan de maagdelijke raathoning en in de tweede plaats zal de consument waarschijnlijk het artikel honing minder leeren waardeeren hetgeen den handel noodwendig moen schaden. De larvehuidjes, die in deze tweede klas raathoning, zij het ook spaarzaam, voorkomen, zijn bij het nuttigen van den honing zeer onsmakelijk en blijven vaak in den mond achter, omdat ze bijna niet fijn te kauwen zijn. Bovendien is de smaak hiervan eenigszins wrang-bitter, zoodat de nasmaak van den honing onaangenaam is. Het is m.i. dan ook wenschelijk, dat op honingmarkten zooveel mogelijk op raathoning in maagdelijke raat wordt gewerkt.

Keeren wij terug tot den raathoning, zooals die uit den kop van den korf wordt gesneden. Deze raathoning is voor oogenblikkelijk gebruik zeer geschikt, doch voor handelsdoeleinden, dus wanneer tusschen oogst en consumtie vaak een flinke tijd verloopt, is hij weinig geschikt. In de eerste plaats zijn bij het uitsnijden meestal meerdere cellen beschadigd, hetgeen lekkerij veroorzaakt, zoodat de verzegelde raat aan de buitenzijde kleverig wordt. Dit levert natuurlijk bij verpakking en behandeling moeilijkheden op. In de tweede plaats moet bij dezen raathoning de raat tijdens transport en bewaring meestal liggen, waardoor de honing van de naar beneden gerichte cellen doorzakt tot op het zegel en dit doorweekt. Het zegel verliest dan zijn natuurlijke blankheid, hetgeen de oogelijkheid van het product en daarmee dus ook de kooplust van den consument sterk vermindert. Een derde bezwaar van dezen vorm van raathoning is wel, dat hij zeer moeilijk is te verpakken.
(Wordt vervolgd).