Over wilde honigbijen, bijenjagers en bijennesten.
We bedoelen hier bijennesten in de vrije natuur, door de bijen gebouwd en ingericht op plaatsen, die ze zelf hebben gekozen.
In landen waar de bijenteelt op een lagen trap staat, zooals in vele streken van Azië, Afrika en Amerika worden wel bijenwoningen gebruikt, doch er is van doelmatige bedrijfsbehandeling geen sprake.
Laten we eens een kijkje nemen in Palestina. Daar heeft men thans nog veel, evenals in overouden tijd, als bijenwoningen cylindervormige buizen van gebrande aarde of van leem, die in de zon zijn gedroogd. Ze zijn ± 60 cM. lang en 25-30 cM. in doorsnede, worden horizontaal naast elkaar gelegd in rijen van 15 stuks en 6 rijen op elkander.
Alleen in den zwerm- en den oogsttijd houdt de „bijenman" zich bezig met de volken die in de buizen wonen. In zulke eenvoudige bijenwoningen worden reeds vele eeuwen de bijen gehouden in Tunis en andere staten van Noord-Afrika. Alleen in de laatste tientallen is er een moderne bijenteelt gekomen bij de daarwonende Europeanen, doch de eenvoudige inboorling blijft bij 't oude.
Volgens de Talmud werden in de oudheid in Palestina ook nog andere bijenwoningen gebruikt dan buizen. Men oogstte niet alleen honig van de „tamme" bijen, doch ook zeer veel van de wilde bijen.
De Bijbel noemt Palestina een land „overvloeiende van melk en honig", dus van zeer groote vruchtbaarheid. De wilde bijen bouwden haar nesten in holle boomen, in aardholen, in spleten en holten van rotsen. De voorraad honig was soms zoo groot, dat op warme dagen de honig uit de rotssteen vloeide. In Psalm 11:17 leest men: „Ja ik zou U verzadigd hebben met honig uit de rotssteenen." In Markus 1:6 staat dat Johannes sprinkhanen en wilden honig at enz.
Honig werd veel als voedsel gebruikt en was ook een belangrijk handelsartikel. In Ezechiël 27:17 leest men, dat Juda en Israël naast wijn, olie en balsem, ook honig brachten naar Tyrus, de oude Phoenicische handelsstad.
Het beroemdste en veel besproken bijennest is zeker wel dat, hetwelk Simson in den leeuw vond, dien hij eenigen tijd te voren had verslagen. (Richteren 14:8)
De wilde bijen waren zeer boosaardig en daarom zeer gevreesd. De steken waren zeer pijnlijk en veroorzaakten erge ontstekingen. Ze vielen de menschen soms in zwermen aan en vervolgden ze met moed. De Psalmist dacht hieraan toen hij van zijn vijanden schreef: „ze hadden mij omringd als bijen." (Ps. 118:2) In Deuteronomium 1:44 leest men: „toen togen de Amorieten uit, en vervolgden U gelijk als de bijen doen."
Wij vertellen u nu iets van een andere Aziatische bij, die vooral in Voor-Indië en Ceylon, enz. voorkomt. Het is de zeer merkwaardige reuzen-honigbij (Apis dorsata) een der voorouders van onze honigbijen (Apis mellifica). Ze wordt ook wel eens Indische bij genoemd. Haar arbeidsters zijn forsch en zoo groot als de koninginnen onzer honigbijen. De reuzen-honigbij bouwt haar nesten onder aan vooruitspringende rotsen, in zuilengangen van oude Indische tempels, en vooral aan de takken van boomen. Men ziet soms verscheidene nesten in één boom en wel meerdere nesten aan denzelfden tak met ruimten er tusschen.
Het merkwaardigste is, dat de bijen slechts een raat bouwen met cellen aan beide kanten. Deze raat kan een Meter lang worden en is ongeveer half cirkelvormig. Er wordt bij het bouwen geen verschil gemaakt tusschen darren-, arbeidsters-, of koninginnecellen. Het bouwwerk van de reuzen honigbij bestaat slechts uit één soort cellen. We moeten van deze bij nog vertellen, dat het zwermen niet bestaat uit het wegtrekken van een deel van 't bijenvolk, zooals bij onze honigbijen, doch van het geheele volk. Wanneer de bloemen in een streek zijn verdord, dan trekt het bijenvolk naar een dichtbij of verder afgelegen streek waar bloeiende nectargewassen en boomen zijn. Zij nemen voorraad mede en bouwen in ongeloofelijk korten tijd weer een nieuw nest. Men heeft hier dus een der oervormen van 't zwermen, waaruit mede het zwermen als levensuiting onzer honigbijen is te verklaren.
Ook in Oost-Indië en vooral op Borneo en Sumatra wordt de Apis dorsata gevonden. Zij bouwt haar nesten gaarne aan de takken van den Tualang, een reuzenboom, de laatste vertegenwoordiger der vroegere oerwouden. De nesten hangen 3O-40 M. van den grond. Ongeveer half Juli zijn de nesten met honig gevuld en dan komen de inboorlingen om te oogsten. Daags te voren heeft men houten pinnen van bamboe in den boom geslagen op afstanden als bij de sporten van een ladder. Een bijenjager kan nu gemakkelijk in den boom klimmen en wanneer hij in den kroon is aangekomen laat hij een touw naar beneden, waaraan zijn kameraden een fakkel binden, die veel scherpen rook geeft. Met zoo'n brandende fakkel kruipt hij langs den tak, tot hij een bijennest heeft bereikt, en houdt den fakkel er vlak onder. Het bijennest wordt wit van kleur, doordat de daarop liggende bijen in zwermen opvliegen. Dan snijdt de man met een mes de raat van den tak en doet die in een korf, waarna hij naar een volgend nest kruipt, waar hij op dezelfde wijze handelt. Is de korf gevuld, dan laat hij die aan het touw zakken.
De reiziger, die dit oogsten bijwoonde, vertelt dat de bijenjager zoo in rook was gehuld, dat hij soms bijna geheel onzichtbaar was. Het was de eenige manier om zich te beschutten tegen de steken der bijen. De toeschouwers die beneden stonden, moesten voor de bijen vluchten.
Niet alle bijennesten zijn zoo gemakkelijk te vinden als die van de reuzen-honigbij. Zeer moeilijk gaat dat bij bijen, die zeer klein zijn. Zoo vindt men in Abessinië een kleine wilde bij, de Tzegenai, welke de grootte eener vlieg heeft. Daarom kan men haar moeilijk ontdekken. De inboorlingen vangen zoo'n bijtje, wat zeer moeilijk gaat, en bevestigen er een dunnen draad aan, om haar als gids naar het nest te gebruiken. De honig en was dezer bijensoort is zeer gewild en wordt als geneesmiddel gebruikt. Haar voornaamste vijanden zijn een soort mees, en de sprinkhaan.
Bijenjagers in Amerika, die in de groote wouden honig van wilde bijen zoeken hebben een bepaalde methode om een bijennest te vinden in een hollen boom, wat zonder een bepaalde wijze van werken in de dichte bosschen zeer moeilijk is.
Zij leggen aan den kant van een open plaats in 't woud een vuur aan en houden daar een oude raat boven. Door den reuk aangelokt komen bijen aanvliegen en vinden den honig, die op eenigen afstand is neergezet. Weldra komen er meerdere en hebben de bijen zich ingevlogen. Zij vormen langzamerhand een vliegbaan, die recht is. De bijenjager volgt die baan en brengt hier en daar merkteekens aan.
Toch gaat het dan nog moeilijk om vast te stellen, waar het nest zit. Daarom plaatst men de lokspijs aan het andere einde van de open plek van 't bosch. Na korten tijd hebben de bijen den honing daar weer gevonden en vormen weldra weer een nieuwe vliegbaan (bijenbaan) die recht naar 't nest gaat. Ook thans wordt deze door merkteekens aangegeven. Waar de twee vliegbanen elkaar ontmoeten bevindt zich het bijennest.
Heel wat gemakkelijker hebben bijenjagers het in Zuid-Afrika, wanneer zij worden geholpen door een merkwaardigen vogel, den „honigvogel. Deze leeft in de bosschen en gaat de bewegingen der bijen na, om haar nest te ontdekken. Heeft hij een nest gevonden, dan vliegt hij naar een naast-bijzijnd dorp en roept op eigenaardige wijze. De geoefende inboorlingen kennen dat geluid, pakken verschillende benoodigdheden bij elkander en volgen den vogel, die roepende van boom tot boom vliegt, terwijl hij telkens omkijkt om te zien of men hem volgt. Hoe dichter hij het bijennest nadert, hoe luider en doordringender hij krijscht.
Wanneer de bijenjagers hun werk beginnen om 't nest uit te breken, zet de „honigvogel" zich zonder te roepen op een boom neder. Is de honig verzameld, dan legt men op een steen of omgevallen boom wat stukken raat neer, waaraan de vogel zich vergast. De inboorlingen zullen nooit verzuimen den vogel een deel van den buit te geven.
Dit samenwerken van den „honigvogel" met de bijenjagers zal velen vreemd voorkomen, doch ik heb het uit geloofwaardige bronnen.
(Ik vermoed dat het den honigvogel niet zoozeer is te doen om den honig dan wel om 't broed van 't bijennest. Het schijnt, dat vele vogels daar veel van houden. Meermalen zag ik dat musschen bijenlarven uit een raat kwamen pikken, die bij den stal lag. Wanneer ik darrenbroed heb uitgesneden, dan geef ik het jonge broed en ook het oudere, waarvan de deksels zijn weggesneden aan kuikens. Hebben ze er eenmaal van geproefd, dan zijn ze er dol op. Het is een zeer eiwithoudend voedsel.)
Misschien doet iemand wel de vraag, of er in ons land ook wilde bijen zijn. Er leven er heel wat, die gerekend kunnen worden tot de voorouders onzer honigbijen uit den oertijd. Deze wilde bijen zijn voor ons uit practisch oogpunt, dus wat het winnen van honig betreft, niet van het minste belang. In den tijd der Batavieren en ook vroeger en later werden veel wilde honigbijen in de bosschen aangetroffen. Zeer waarschijnlijk was 't klimaat toen wat zachter. Bovendien leverden de uitgestrekte natuurwouden een rijkdom aan honiggevende gewassen. Wilde bijen, die zelfstandig leven en zich vermenigvuldigen komen thans in de bosschen niet meer voor. Wel vindt men soms in een holte van een boom een bijenvolk, dat aan een imker is ontsnapt en tracht tot den ouden natuurstaat terug te keeren en te verwilderen. Bij gunstige jaren kan zoo'n volk wel enkele jaren in zoo'n boom blijven en geeft ook in elke lente een of meer zwermen. Meestal is het spoedig gedaan en na een ongunstigen zomer sterft het volk 's winters van honger.
In een der Engelsche vakbladen las ik jaren geleden, dat een bijenvolk 25 jaar de holte van een ouden esch had bewoond, die over de rivier de Axe (Somerset) hing. Jongens hadden wel eens beproefd de bijen er uit te verjagen, doch vonden zoo'n krachtig verzet, dat de deugnieten hun plan moesten opgeven. In een stormachtigen nacht spleet de stam van den ouden esch in tweeën, een menigte bijen en heel wat honig vielen in den stroom. Toch haalden de arbeiders nog 25 pond honig uit den boom.
Niet altijd kiezen de bijen een holte hoog in den boom. Soms is die laag en is de toegang een holte bij den wortel.
Meermalen zocht een ontsnapte zwerm een plaats in de holte of spleet van een ouden muur of tusschen een zoldering en plafond, soms ook achter een behang en op andere vreemde plaatsen. Zoo schreef de heer C.N. van der Peijl te Hansweert mij, dat een Afrikaner had verteld dat in het standbeeld van Paul Kruger te Pretoria een bijenzwerm zich heeft genesteld, die geregeld uit- en invliegt. Eveneens kon men dezer dagen het volgende bericht lezen: „Te Richmond in Virginië staat het ruiterstandbeeld van generaal Robert E. Lee, die in 1863 en '64 de aanvoerder was van de Zuidelijke Staten in den Burgeroorlog. Paard en ruiter zijn natuurlijk hol en sinds enkele jaren vliegen bijen voortdurend uit en in door de eenigszins geopende lippen van den generaal en door de neusgaten van het paard. De bijen zijn zeer talrijk en hebben zeer vlijtig gewerkt. Maar natuurlijk kan men daar niet bijkomen zonder het beeld te beschadigen en zoo laat men er de gevleugelde arbeidsters ongestoord aan het werk."
Het gebeurt wel, dat onze honigbijen haar nest vrij in de natuur aan een boomtak ophangen. Zoo las men eenige jaren geleden, dat de bijen dit hadden gedaan in den tuin van het Natuur-historisch Museum te Parijs, waar 6 raten, (waarvan de grootste 6O cM. breed waren) naast elkander waren gebouwd. Het nest hing 6 Meter van den grond. We behoeven voor zoo iets niet alleen naar 't buitenland te gaan. 't Komt in ons land ook voor. In 't Octobernr. van „de Practische Imker" komt een foto voor van een vrij bouwenden zwerm in een appelboom in Den Haag. De drie middelste raten (van de zes) zijn ongeveer 20 X 30 cM. en staan zuiver van Zuid naar Noord en zijn geheel van fijn werk, dus is er een jonge moer. Bovenbedekking is er niet, alleen de bladeren van den boom. Het nest heeft dus alle weer en wind en de zware regenbuien in den verloopen zomer en in September glansrijk doorstaan. Honig was er niet meer aanwezig, doch het volkje was erg levendig en haalde nog flink stuifmeel op 5 October. Men zal het nest een beschuttend dak en voldoende voedsel geven.
Een paar jaar geleden schreef de heer van Heeg, te Hoogeveen, dat hij in September op de heide kwam en een bijenvolk vond, dat aan een tak van ± 5 cM. dikte en naastbijzijnde dunnere takken een nest had gebouwd. De middelraat was 20 a 22 cM. lang en breed. In 't geheel waren er 6 raten. De raten werden van de middelste af korter en smaller, zoodat 't geheel den vorm had van een bol die van boven was afgeplat. In 't nest was ongeveer 3 K.G. honig en bovendien open en gesloten broed. Het nest moest in 9 à 10 dagen gebouwd zijn en al was 't overdag goed vliegweer, de nachten waren toch koel. Wanneer men het nest in de verte zag, leek het of er een bijenzwerm hing.
Wanneer men een nest van wespen bekijkt, dat meestal in de vrije natuur aan een tak is opgehangen, dan ziet men, dat daar een beschuttende mantel om heen is gebouwd. Aan den onderkant daarvan vindt men de opening, zoodat er geen regen in het nest kan komen. Wanneer de bijen een nest in de vrije natuur aan een tak bouwen, dan maken zij er geen mantel om. Zij volgen het instinct, dat zij geërfd hebben van haar voorouders zooals van de reuzenbij (Apis dorsata) en andere. Deze bouwen echter slechts een raat en onze honigbijen bouwen er 6 of meer naast elkaar, zooals ze in den korf doen. Op dit punt heb zij dus haar instinct verloren. Bij alle dieren kan men voorbeelden zien, dat ze van hun oude oer-instincten veel hebben behouden en ook wel hebben vergeten.
T.C. HOOTSEN.