Het vormen van 'n broedaflegger van den gewonen ronden korf.
Het opstel van dhr. J. Schouten heb ik met belangstelling gelezen. De beschreven manipulatie geeft echter tot eenige opmerkingen aanleiding. Hij is zeer aardig bedacht, maar heeft in de praktijk z'n doeltreffendheid nog niet kunnen bewijzen, aangezien de Heer S. hem maar één keer heeft kunnen toepassen en de omstandigheden hem toen waarschijnlijk gunstig geweest zijn.
De Heer S. zegt: „Men voert in 't voorjaar korf en kast op tot zwermhoogte". In 't voorjaar is wat vaag en de Heer S. zou ons verplicht hebben met het noemen van 'n datum. Laten we aannemen, dat de volken begin Mei zwermrijp zijn en dat het korfvolk afgeklopt wordt. „Zoo het weer medewerkt is die korf in 14 dagen volgebouwd", ja, als het weer medewerkt. Maar als het voortdurend ongunstig weer is zal de Heer S. z'n afgeklopte volk duchtig moeten voeren om 't in leven te houden en nog eens moeten voeren om 't in de gelegenheid te stellen om raten te bouwen en dan zal er van broedaanzet nog niet veel komen, want de bijen kunnen niet genoeg stuifmeel halen.
In het tegenovergestelde geval, als het na het afkloppen zeer gunstig weer blijft, zal het volk zich zoo goed ontwikkelen, dat ik de bewering van den Heer S. op blz. 10 2° r., niet voor mijn rekening zou willen nemen. Integendeel, hoe vroeger hij aftrommelt, hoe grooter de kans wordt, dat het volk 'n late zwerm zal afgeven.
En nu 'tkastvolk. Ook dit is tot zwermhoogte opgevoerd, heeft dus óók moerdoppen met eitjes. Wat doet de Heer S. hiermede? Bij voortdurend ongunstig weer zal het volk moeite hebben om twee groote broednesten warm te houden en te verzorgen, bovendien zal het heel gauw door z'n voorraad heen zijn. En bij zeer gunstig weer zal het volk z'n zwermplannen, tengevolge van het vele werk, misschien eenigen tijd uitstellen, maar zeker niet opgeven.
Er is dus in de methode van den Heer S. nog iets onduidelijk, dat alleen door de ondervinding van eenige jaren zal kunnen worden opgehelderd.
F. SPARENBERG.
BIJSCHRIFT.
Het vormen van een broedaflegger van een ronden korf is in beginsel geheel en in uitvoering grootendeels hetzelfde als bij den broedafl. van een kast. In ' teerste geval heeft men één kast met volk en één korf met volk noodig. In 't tweede geval twee kasten elk met een volk.
Het spijt me, dat de heer Sparenburg mijn uitvoerig artikel over den broedaflegger in het September nr. 1923 niet heeft gelezen. Toch wil ik nog een en ander over den broedafl. meedeelen uit onze ervaring van vele jaren, naar aanleiding van zijn vragen.
In 't algemeen krijgt men met een methode in de bijenteelt niet altijd dezelfde resultaten. Deze loopen elk jaar min of meer uiteen. En dat onzekere geeft in het imkersbedrijf de grootste moeilijkheid. Ons klimaat is zoo uiteenloopend, zoo onzeker. De Meimaand kan een heerlijke Bloeimaand zijn, en 't volgende jaar ..... een Noordsche Mei, koud en arm aan zonneschijn, en zoo gaat 't soms met meerdere zomermaanden, of gedeelten er van. Er valt dus bij een bijenbehandeling, (methode) niets te berekenen omtrent het verloop of 't succes.
Denk eens aan de voorzwermen. Deze kunnen in sommige jaren aardig wat honig geven, en in andere jaren gaan ze zich toeleggen om weer te zwermen. Dit hangt in hoofdzaak van 't gewin af. Onze vaste- bouwimkers vooral hebben met die voorzwermen in sommige jaren heel wat moeiten.
Wie in Mei van een strookorf een „jager" maakt, moet niet zelden moedervolk en kunstzwerm duchtig voeren bij slecht weer. Zoo komt het ook voor, dat bij het maken van een broedaflegger het benedenste volk moet gevoerd worden (waardoor dan tevens ook 't bovenste volk voedsel van beneden ontvangt). Ook zonder het maken van kunstzwermen zal men zijn volken in Mei soms duchtig moeten voeren om ze op kracht te houden en om te voorkomen, dat ze broed uittrekken. Het gebeurt zeer vaak, dat voorzwermen en vooral nazwermen krachtig moeten gevoerd worden in den eersten tijd, dat ze in hun nieuwe woning zitten.
Wat de heer Sparenburg zegt over de mogelijkheid van zwermen van 't afgetrommelde volk is juist. Dat hangt vooral af van 't weer en 't gewin, zooals dat ook bij voorzwermen 't geval is. Wij hebben zelfs meermalen een zwerm gehad van een vroegen, sterken nazwerm.
Wanneer men een broedaflegger maakt met twee kasten, dan heeft men de bijen van het bovenste volk in een leege kast met kunstraten geveegd. (Hierin verschilt de bewerking wat van het aftrommelen bij den ronden korf, doch is in wezen hetzelfde).
Ik veeg de bijen steeds in een honigkamer, welke zonder een rooster op een broedkamer staat. Hebben de bijen enkele raten geheel of gedeeltelijk in de raampjes gebouwd (desnoods op kunstraat) en van broed voorzien, zoo veeg ik de bijen van die raten in de broedkamer, leg daarop een rooster en plaats de honigkamer met de eerste aangebouwde en van broed voorziene raten daarboven op. Spoedig komen er jonge bijen door den rooster naar boven om 't broed te verzorgen. De koningin met de overige bijen houwen weer een nieuw broednest beneden. De bovenkamer blijft in gebruik, het broed loopt uit en er wordt bij goed gewin honig geborgen. De kans om weer te gaan zwermen is bij deze wijze van werken veel kleiner geworden doch een kleine kans blijft er nog bestaan, wanneer het weer tegenwerkt.
De broedaflegger heeft de meeste kans van slagen in streken met een sterk gewin op de linde, ook op de acacia, en op den vuilboom (Rhamnus frangula), die in mijn streek veel voorkomt. In meerdere jaren oogstte ik van zulke volken mijn meesten honing.
Voor streken, waar de hoofddracht later valt, dus in Juli enz. is het maken van den broedaflegger niet aan te bevelen.
De heer Sparenburg zegt nog, dat bij voortdurend ongunstig weer het volk moeite zal hebben twee groote broednesten warm te houden en te verzorgen. Wanneer er voldoende voedsel aanwezig is, of door den imker wordt gegeven, dan is er volstrekt geen bezwaar. Men moet niet vergeten, dat een gedeelte der jonge bijen direct door den rooster naar het „kale broed" in de bovenkamer is gegaan, doch dat beneden en boven dagelijks vele jonge bijen worden geboren. Bovendien ontvangt de bovenkamer een gedeelte van de warmte van het benedenste volk. Van veel belang is het den bovensten bak zeer warm af te dekken. Er is bij mij nooit broed door koude omgekomen, of door de voedsterbijen verlaten.
De heer S. meent, dat het volk heel gauw door zijn voorraad heen zal zijn. Ook dat is niet zoo, want in den bovenbak kwamen niet alleen de broedraten, doch ook die met honig en stuifmeel, van het afgeveegde volk. Er zijn dus in den beneden- en in den bovenbak voorraadmagazijnen. Bovendien wordt de bovenbak na 10 dagen reeds afgenomen.
Nog vraagt de heer S. „wat doet men met de moerdoppen met eitjes van het kastvolk, dus van het benedenste volk"? Hierover behoeft men zich nooit te bekommeren. Wanneer de bovenbak met broed- en andere raten is opgezet, begint spoedig een volksverhuizing. Een deel der jonge bijen (voedsters) van het benedenste volk trekt geleidelijk door den rooster om boven het broed te verzorgen. Daardoor komt beneden een tekort aan voedersap en kunnen de koninklijke larven, die verbazend veel voedsel krijgen, niet meer gevoed worden. De bijen bijten daar de doppen af. Is na 10 dagen de bovenbak afgenomen, dan heeft 't benedenste volk heel wat bijen verloren. Het herstelt zich echter en geeft in veel gevallen, vooral als 't gewin afwisselend is geweest, een zwerm.
De practijk heeft geleerd, dat men op genoemd kastvolk, wanneer het normaal sterk is, gerust nog een bak raten van een ander volk kan plaaten. Dat kan enkele dagen na den eerst geplaatsten gebeuren, wanneer men maar zorgt, dat iedere bak na 10 dagen wordt afgenomen. Wanneer het onderste volk de jonge bijen voor twee bakken heeft moeten leveren, zoo is de kans van zwermen zeer klein geworden, maar blijft bestaan.
Bij den broedaflegger van den ronden korf zou er een bezwaar kunnen zijn. Heeft men korven met korten bouw, dus die niet geheel vol zijn en plaatst men deze na het aftrommelen op een kast met rooster, dan is er geen direct contact tusschen het onderste en bovenste nest. De ruimte beneden de raten in den korf is hinderlijk en schadelijk.
Wellicht wil ook de heer Schouten over zijn ervaring in 1924 in 't Maandschrift eens wat mededeelen naar aanleiding van de opmerkingen van den heer Sparenburg.
T.C. HOOTSEN.