Ingezonden.

Pas op voor overzeeschen honing.

Een der beste leden onzer Afdeeling trok voor eenige jaren naar Amerika om aldaar zijn geliefd imkersbedrijf op grootere schaal voort te zetten. Hij heeft zich thans in Californië gehuisvest. Zijn belofte mij eens het imkeren in het verre westen te schetsen, bleef hij getrouw. Deze is m.i. belangrijk genoeg om gedeeltelijk in het maandschrift te worden vermeld, waarom beleefd wordt verzocht het volgende te willen plaatsen.

Mijn vriend vertelt onomwonden, dat de Amerikaansche bijenhouderij in rotten toestand verkeert: „Geheele stallen worden door vuilbroed verwoest". Ook hij verloor gedurende de drie jaar, die hij daar imkerde, een groot deel zijner kolonies. Hij splitste deze bijenziekten in twee soorten: Amerikaansch- en Europeesch vuilbroed. De eerste is gevaarlijk en verwoest zeker. De tweede minder kwaadaardig, alhoewel van dien aard dat de aangetaste volken langzamer sterven. De oorzaak dat deze ziekte hier minder voorkomt, schrijft hij toe aan de vaste bouw, die hier te lande nog overheerschend is. Als opzetters in vastenbouw worden doorgaans zwermen gebezigd, die in ledige korven werden gedaan, dus op nieuwen raat. Bij kasten of lossen bouw blijven dikwijls oude raten in de opzetters aanwezig. In oude raten ontstaat het vuilbroed.

Als bewijs voert onze kameraad ons terug naar het Noorden onzer provincie, waar wij een zestal jaren geleden een excursie hebben gehouden. Wij bezochten daar een stand bestaande uit een groot aantal kasten. Het was er totaal misère. De eigenaar vertelde ons dat het broed in zijn kasten door kou verkleumd was en wij excursisten legden ons bij deze mededeeling neer. „Neen, vuilbroed was alleen de oorzaak" zegt mijn vriend, want op betrekkelijk korten afstand stond een groot korfimker. Geen enkele korf of 't was alles weelde. Bijen en honing volop. Dit broed was niet verkleumd.

Verder ontvangen wij de ernstige waarschuwing geen Amerikaansche honing aan onze bijen te voederen. Hij meent dat aangenomen kan worden, dat alle Amerikaansche honing besmet is, omdat de zieke kolonies, die naar het schijnt geregeld voorkomen, het eerst geslingerd worden. De besmette honing wordt vermengd met de goede honing, zoodat hij aanneemt dat alle honing uit Amerika besmet is.
Tot zoover onze vriend.

Wanneer wij nu weten hoe verschrikkelijk vies en gevaarlijk deze ziekte is, zou het dan niet eens tijd worden dat wij inplaats van honingtentoonstellingen, vuilbroedtentoonstellingen gingen organiseeren? Wij zouden den bijenhouders kunnen leeren en waarschuwen. Maar ook wij zouden het honingkoek-etend publiek en aan de koekbakkers kunnen toonen om duidelijk maken welke honing ze wel, welke honing ze niet moeten gebruiken. Ons vleesch, onze melk, onze visch enz. enz. kunnen wij vertrouwen dat ze versch en deugdzaam zijn, en ..... dat de behandeling bij winning of bereiding door den producent zindelijk is geschied. Wij prijzen deze strenge voorschriften, doch honing, gewonnen of bereid uit aan pestbacillen gestorven bijenkolonies, wordt onbelemmerd gebezigd om als grondstof te dienen voor een lekkernij, die „honingkoek" heet.

Wanneer wij verder zien waarvoor deze Amerikaansche honing hier te lande dient, dan weten velen onzer, dat in onze groote steden in sommige winkels honing wordt verkocht als „boekweithoning", „klaverhoning" enz., versierd met een aardig etiketje, à ƒ 1. — tot ƒ 1,25 per pond. Een kenner is spoedig overtuigd dat deze honing buitenlandsche honing is, en al misgunnen wij in deze den imker-honingkoopman zijn 4 à 500% winst niet, toch willen wij er op wijzen, indien deze honing door bijen wordt genuttigd deze ziek zullen worden en sterven. Of deze honing, gebruikt wordende door kinderen en volwassen, of door zieken of herstellenden, nadeelig kan zijn, weten wij niet, doch het is wellicht de moeite waard bovenstaande mededeelingen ter kennis te brengen waar ze behooren.
Met hoogachting,
Sappemeer, Nov. '25.
D.J. JIPPES, Secretaris Afdeeling Groningen.

NASCHRIFT.
Den Heer Jippes zijn wij bizonder dankbaar, dat hij deze mededelingen van zijn vriend niet voor zichzelf houdt, maar meer in wijder kring bekend maakt. Verleden jaar wezen wij er reeds op, welk gevaar het voederen van buitenlandschen honing met zich medebrengt; de kans, dat onze volken ziiek kunnen worden is niet denkbeeldig.
Toch zijn er nog imkers, welke zich bedienen van dit buitenlandsche product voor het voederen van hun bijen en wij zouden hen willen aanraden, knip dit artikel uit en hang het in Uwen bijenstal.

In dit verband willen wij er nog even op wijzen, dat ons honingbesluit, hoe dankbaar we als imkers ook zijn, dat eindelijk dit besluit is verschenen, een leemte bevat, waar ook Dr. de Boer reeds op wees in zijne beschouwingen over dat besluit, n.l. dit, dat het declareeren van den honing naar het land van herkomst niet verplichtend gesteld is.

In de commissie volgens art. 17 der Warenwet hebben wij dit verplichtend stellen met klem verdedigd, doch kregen van den Voorzitter dier commissie een reprimande, dat wij aan die Wet een protectionistisch karakter wilden geven, waarbij ZEd. zelfs werd gesteund door eene vertegenwoordiger van eenen imkersbond.
Wij hopen echter, dat de tijd niet ver meer zal zijn, dat elke Nederlandsche Imker, zich niet alleen onthouden zal van het gebruik van het buitenlandsch product, maar dat hij tevens een medestrijder zal worden tegen het gebruik daarvan.
Joh. A. Joustra.