Over een proefkonijn.
III.
In het Februari- en Meinummer van den vorigen jaargang van dit Maandschrift komt een artikel voor: „Over een proefkonijn." Hierin beschreef ik de lotgevallen van een bijenzwerm, hangende aan de bovenlatten van Simplexraampjes, afgedekt met een kleedje, zonder verdere beschutting. Ik eindigde deze artikelen met de belofte in een volgend nummer nog eenige andere waarnemingen van mijn koud volkje te bespreken. Daar velen zich echter de geschiedenis van dat volk wel niet meer nauwkeurig zullen herinneren, komt het mij beter voor datgene, wat ik mededeelen wilde, te doen naar aanleiding van de geschiedenis van een ander volk, dat ik in 1924 als volgt behandelde.
Tegen den zwermtijd nam ik een kist, groot ongeveer 1 bij 1 bij 1 M. en verwijderde hiervan het deksel en den voor- en achterwand. Het overschot plaatste ik omgekeerd op den grond, op een goed beschutte plaats. In het midden van den bodem, die nu als dak dienst deed, boorde ik een gaatje, waardoorheen ik een moerhuisje steken kon.
Van een flinken voorzwerm, die ik in het begin van Juni kreeg, ving ik de koningin, plaatste haar in een moerpijp en stak deze door de opening van het dak. De zwerm werd er onder geplaatst, zoodat hij zich na korten tijd in halve bolvorm om de koningin verzameld had.
Na een paar dagen werd de moer losgelaten en op het gat een voedertoestel geplaatst; ik wilde namelijk dit volk zich flink laten ontwikkelen, omdat er roof-proeven op genomen zouden worden. In Augustus had dit volk ongeveer de sterkte en den ratenbouw van een normaal korfvolk.
Zoowel bij dit volk als bij zijn voorganger van 1923 was het mij opgevallen dat zij niet werden lastig gevallen door roovende bijen. Hoewel de ratenbouw van alle kanten zichtbaar was en voor roovers dus zeer gemakkelijk te bereiken, had nooit rooverij plaats. Natuurlijk wilde ik graag weten of dit toeval was of niet en daarom besloot ik rooverij uit te lokken. In het begin van Augustus bracht ik mijn gewone bijenstal, die ongeveer 5. K.M. verder gestaan had, naar huis, haalde de raampjes met honing eruit, slingerde ze en plaatste ze op een mooien dag met weinig dracht, op den grond vlak voor mijn proefkonijn-in-de-kist.
Een half uurtje later, toen deze geslingerde raten bedekt waren met duizenden bijen, die het restje honing kwamen oplikken, nam ik deze raten zoo snel mogelijk weg en borg ze op een voor bijen onbereikbare plaats. Nu volgde, wat ik mij had voorgesteld:
de bijen, die nog even te voren op de raten gesnoept hadden, vlogen nog eenige oogenblikken op deze plek rond, trokken spoedig ook onder het afdak, waaraan mijn proefvolk hing en vielen spoedig in massa op diens ratenbouw aan.
Dit proefkonijn echter, hoewel het de laatste 14 dagen niet was gevoerd, was flink sterk, verspreidde zich direct over het geheele, zichtbare ratenoopervlak en liet zich de kaas niet van het brood nemen, i.c. den honing uit de raat halen. In korten tijd was de grond onder het volk bedekt met vechtende bijen, angstig om te zien. 10 minuten later evenwel waren de roovers verdwenen; wel vloog er nog een enkele om den ratenbouw van het proefkonijn heen, maar geen waagde het, daarin door te dringen. De aanval was met glans afgeslagen.
Was dit toeval of noodwendig gevolg? Dit laatste kón het geval zijn: immers de bijen, die op de geslingerde raampjes gevlogen hadden, zochten natuurlijk den geur van den honing, die zich in die raten bevond. Het proefvolk had waarschijnlijk in zijn raten honing met een andere geur, een geur, die misschien de aanvallers had teruggehouden. Dit moest dus onderzocht worden en zoo stelde ik mij de vraag: wat zal er gebeuren, als de snoepende bijen plotseling van de raten verdreven worden, indien zich in de raten van mijn proefvolk dezelfde honing bevindt als in de leeggeslingerde raten?
Deze proef werd als volgt voorbereid: mijn gewone bijenvolken gingen naar de heide; het proefvolk kreeg van 15 tot 25 Augustus 20 pond heidehoning in zijn voederbakken. Na afloop van de heidedracht, kwamen mijn gewone volken weer thuis en op 20 September werden eenige leege raampjes flink besmeerd met dezelfde honingsoort, die ik aan het proefkonijn gevoerd had, geplaatst onder dit laatste volk. En nu volgde een herhaling van wat een maand geleden gebeurd was: plotselinge verwijdering van de raampjes, toen de vlucht heel sterk was; geweldige aanval op het proefkonijn; besliste afwijzing daarvan door dit volk; rust na ongeveer 10 minuten.
Een en ander gaf natuurlijk aanleiding tot de vraag: wat zal een normaal korfvolk, dat beroofd wordt, doen als ik den toegang tot de raat niet versper door het vlieggat te verkleinen, doch integendeel de raat geheel blootstel door den korf plat neer te leggen, met de opening naar boven, zoodat de roovers direct op de raat kunnen aanvliegen?
In de laatste helft van September is rooverij al heel gemakkelijk uit te lokken en dus werd een gewoon, normaal korfvolk daarvan het slachtoffer gemaakt. Toen het rooven flink aan de gang was, werd deze korf achterover geduwd en plat neergelegd en na een minuut of 10 waren de roovers afgetrokken; kwamen ook niet meer terug toen de korf weer zijn gewone stand terugkreeg.
Ik achtte nu den tijd gekomen om eens in de practijk na te gaan of dit middel tegen rooverij ook toe te passen is, indien in de practijk rooverij optreedt; dus niet indien rooverij kunstmatig wordt verwekt, doch zich voor doet dan, laat ik maar noemen: natuurlijke oorzaken.
Allereerst deed ik op vele plaatsen navraag of dit middel wellicht ergens bekend was. Op vele plaatsen kreeg ik een ontkennend antwoord; anderen hadden weleens gehoord van het platleggen van de roovende korven, (dus niet van de beroofde). Eindelijk echter vond ik 2 menschen, die over dit middel weleens iets hadden gehoord van oude imkers, maar het zelf nooit hadden (durven) toepassen, namelijk te Raalte en Paterswolde.
Dit middel is dus eenmaal in ons land bekend geweest; is misschien in den loop der tijden verloren gegaan. In Duitschland echter is het wel bekend, dit bleek mij eenigen tijd na mijn proeven met het proefkonijn. Ik vond toen in het werkje van H. von Buttel-Reepen: Sind die Bienen Reflexmaschinen?, in een noot op bladzijde 8 het volgende:
„De Lüneburger korfimkers wenden soms een eigenaardig middel aan, om de z.g. „sluipende rooverij" te doen ophouden. Als de dracht zeer sterk is, zoodat een sterke honinggeur uit de vlieggaten stroomt, treedt hier en daar rooverij op. De roofbijen worden echter door de bijen van den beroofden korf nauwelijks opgemerkt (waarschijnlijk bedekt de sterke honinggeur den vreemden geur der roovers). Teneinde het beroofde volk meer actief te maken, leggen de imkers de korven om, zoodat de wijde onderste korfopening naar boven gericht is. Nu zou men meenen dat, daar hiervan de geheele ratenbouw open en bloot ligt, nog een sterker berooven plaats zou vinden, maar daar nu de sterke honinggeur gemakkelijk „vervliegt" en de roofbijen door die verandering onzeker in het aanvliegen worden en als het ware wat beduusd zijn, wordt de opmerkzaamheid der beroofden opgewekt, het werk wordt goed belegd en iedere aanval afgeslagen."
Ik heb toen aan een aantal imkers gevraagd om, als zich in hun practijk eens rooverij voordeed, dit Duitsche middel eens te beproeven. Van een 10-tal heb ik thans bericht gekregen, dat het middel uitstekend heeft gewerkt. In één geval was het echter mislukt. In dit geval was de toestand ter plaatse aldus: stal a vliegt over stal b heen, het veld in; bij sterke dracht, vooral tegen den avond, als de dracht gaat afnemen, wordt Stal b beroofd van stal a.
Moge het bovenstaande voor eenige lezers aanleiding zijn om met dit middel eens een proef te nemen, indien zich bij hun korven rooverij voordoet; het lijkt mij wel van belang eens te zien in hoeverre dit middel van de Lüneburgers ook voor ons land opgaat. (Gaarne zie ik van de uitslag dezer proeven een klein berichtje tegemoet, bij voorkeur met vermelding der omstandigheden: oorzaak van het rooven; drachtsomstandigheden; ligging der stallen, enz.).
Van verschillende zijden is mij reeds gevraagd, hoe die vrijhangende volken, die van alle zijden volop licht krijgen, op dit licht reageeren. Uit die vragen blijkt mij dat de vragers verwachten dat een bijenvolk, dat bijna steeds in een donkere omgeving huist, zich in het volle licht anders dan normaal zal gedragen en pogingen zal doen het licht van zijn ratenbouw te weren.
Het antwoord hierop is volstrekt ontkennend; het bijenvolk trekt zich van het licht niets aan; het tegendeel is mij althans nooit gebleken.
Dat de ratenbouw normaal is, moge blijken uit onderstaande foto.

Ik wil dit artikel voorloopig besluiten met een korte vermelding van een merkwaardig verschijnsel, dat zich momenteel bij mijn laatste proefkonijn uit deze reeks voordoet.
Dit volk is, voor een bepaald doel gehuisvest in een glazen kast van 70 bij 70 bij 70 c.M. Het vak is van hout, de wanden en bodem van glas. Het volk staat in een laboratoriumlokaal en vliegt door het tuimelraam. Het volk is als voorzwerm in die glazen kast gekomen; heeft 14 raten in warmen houw (er is geen voorbouw gegeven; de zoldering is volkomen glad), zeer regelmatig, de wintervoorraad is op normale tijd verstrekt en is op de normale plaats opgeborgen.
Op warme Octoberdagen was de raat nog geheel met bijen bedekt; het volk is dus zeer sterk en heeft zich thans tot den wintertros samengetrokken. Deze tros is vandaag, bij een buitentemperatuur van 15° C. en een temperatuur, gemeten vlak buiten den bijentros, van 11° C, een bal met een diameter van 27 c.M. De raten hebben een wat eigenaardigen vorm; deze vorm is voor alle raten ongeveer gelijk en kan ik het best weergeven in achterstaande schematische teekening, waarop tevens is aangegeven, op welk gedeelte de wintertros zit.

Uit deze teekening moge blijken dat de wintertros, hoewel het (thans uitgeloopen) broednest aan alle zijden van wintervoorraad is omgeven, zich reeds gedurende ongeveer een maand geplaatst heeft geheel terzijde van en gedeeltelijk buiten den ratenbouw. Het volk is bij a in contact met het voedsel; het broednest is totaal verlaten; ongeveer de helft van den tros hangt buiten het werk.
Ik hoop op dit verschijnsel nog eens terug te komen, wanneer ik de gevolgtrekkings, waartoe het aanleiding geeft eens een paar winters door proeven heb gecontroleerd.
Wageningen, 17 December 1926
MINDERHOUD.