Mijn bedrijfswijze.

IV

A propos! het is wel eigenaardig, dat de bijen dan elkaar niet vijandig gezind zijn en niet afgestoken worden; voegt men ze op een of andere wijze bij, b.v. door ze op een koninginnerooster boven een ander volk te zetten, of onder de korf of kast te doen, of ze eenvoudig er bij vegen of schudden, dan wel; menigmaal heb ik mij afgevraagd hoe zit dat toch, doch een goed antwoord heb ik nooit kunnen vinden en nog moet ik bekennen, dat ik het niet weet; maar een feit is het.

Vroeger is 't mij wel gebeurd als ik om de een of andere reden 2 volken wilde vereenigen, het eene aftrommelde of afveegde en zoo bij het andere voegde, nadat ik er b.v. wat suikerwater of verdunde honig overgesprenkeld had en dat er toch nog een massa afgestoken werden; ook heb ik 't wel beproefd, het volk dat ik bij wilde geven, op een koninginnerooster, ja soms met 2 roosters er tusschen op het volk zeite, waarmede het vereenigd zou worden en toch ging het niet zoo ik het graag had. Waarom niet? Ik weet het niet, maar er werden er naar mijn zin nog te veel afgemaakt.

Heel toevallig kwam ik tot de ontdekking, dat, veegt men de bijen af van de raat een eindje voor de stal, er bijna nooit een afgestoken wordt. Het geval was zoo: twee volken wilde ik vereenigen; het eene volk dat ik afgeveegd had in een ledige korf, besprenkelde ik flink met honigwater en stootte het toen voor en half onder de kast waar het bij moest, daarna sprenkelde ik nog wat over de vereenigden en keek even toe hoe het ging, maar jawel het duurde niet lang of ze begonnen al te vechten en na eenigen tijd waren er al wat gesneuveld; ik stond een oogenblik te denken, doch er was geen tijd te verliezen, want iedere seconde sneuvelden er meer, zoodat het mij berouwde dat ik zoo gehandeld had; er moest echter raad geschaft worden en ik greep naar mijn berooker en blies er een massa rook in, ook dit baatte niet genoeg naar mijn zin.

Toen nam ik de kast, klopte eens flink tegen de buitenkant en ging er een eindje mee voor de stal; hier nam ik zoo spoedig mogelijk de raten eruit, klopte de bijen zoo maar op den grond; het raampje echter waar de koningin op zat, zette ik op zijde; toen alle bijen verwijderd waren, ook degenen die aan voor- en achterwand en op de zijwanden zaten, nam ik weer raat voor raat en zette ze weer op de plaats waar ze gestaan hadden, ook natuurlijk het raampje met de koningin en al de daaropzittende bijen; hierna zette ik de kast weer op zijn oude standplaats, zoodat de bijen dadelijk aanvielen en degenen die bij buurman links en bij buurman rechts opgevlogen waren, kwamen van lieverlede weer terug. Het vechten echter was gedaan, er werd niet eentje meer afgestoken.

Dit geval, dat toevallig was, bracht mij er toe om meer proeven te nemen en altijd met hetzelfde gevolg. Thans, heb ik wat te vereenigen, doe ik het altijd zoo.
Het eenige wat het tegen heeft is dat men geen twee kleine volkjes met elkander kan versterken, doch men kan zich dan gemakkelijk behelpen door een raam broed te geven en mijne ervaring is, dat een zwak volkje het beste met broed is te versterken, dan krijgen ze jonge bijen en juist dezen zijn in het waaraan een zwak volkje gebrek heeft.

Laat ik even meedeelen dat 't bij mij is „tijd is geld" en kan daarom niet zooveel tijd verprutsen met koninginnen geven aan volken die moerloos geworden zijn of een darrenbroedige koningin hebben, dezen ruim ik gewoonlijk zoo gauw op als ik kan, want ik heb liever tien goeden als 30 stumpers en na herhaalde proefnemingen is 't mij altijd gebleken, dat zulke volken, al krijgt men er weder een goede koningin bij, toch meestal stumpers blijven, waarmede men een groot gedeelte van 't seizoen sukkelen moet.

O ja, goede volken zeg ik daar! Zeg Peelboer, hebt u wel eens goede volken in een kast gezien? En weet ge wel, dat een kast een geheel andere woning is dan een ronde korf? Uit uw schrijven zou ik opmaken, dat het niet zoo is. Neen, geachte Heer Peelboer, die woorden zijn mij niet te vlug uit de pen gegleden, ik ben er van overtuigd, als 't geval zoo is, als dhr. Hulleman schrijft, dat het volk wilde zwermen, het vlieggat is verstopt en de bijen den verstikkingsdood hebben moeten sterven. Waar zoo iets voorkomt, vallen de raten tengevolge van de hitte die zich ontwikkelt altijd naar beneden de bodemplak, het was smelt en de bijen zien totaal zwart.

Aan deze teekenen kan de imker het beste constateeren dat het volk den verstikkingsdood gestorven is. En al zegt nu Peelboer al dat het bij hem en in zijne omgeving nog nooit gebeurd is, zooals bij den Heer Hulleman, is daarmede nog niet gezegd dat het niet kan, want en nu komen we eigenlijk tot de kern van de zaak, zooals uit het verdere schrijven blijkt, zijn daar niet zulke sterke volken, immers een brandzwerm is na vier weken toch zeker geen sterk volk en endelingen brengen het zelden zoo ver, dat het een sterk volk wordt. Die in letterlijken zin afgezwermd zijn, zal wel niet veel meer zijn dan een klein volkje, die genoeg te doen heeft om de wintervoorraad bij elkander te krijgen.

De eenigen dan, waarmede men een dergelijke ervaring zou kunnen opdoen, zijn de opzetters, doch in den regel zijn dan de volken nog niet zoo wild te zwermen, de zwermdrift zit er niet zoo in.

Nog een geval wil ik hier even meedeelen; jaren geleden, ik was nog een kleine jongen, had mijn vader een stuk of vier kasten gemaakt volgens aanwijzing uit het boekje van J. Dirks, uitgegeven 1861. Op een warmen dag kwam ik even na den middag in den bijenstal en zag uit een kast de honig uit het vlieggat komen; dit leek mij niet goed en ik ging gauw naar moeder om het haar te zegden, vader was niet thuis; zij ging mede en zag wat er plaats had, doch dorst er niets aan te doen, alhoewel ze volstrekt niet bang was voor een steekje.

Toen vader 's avonds thuiskwam, moest hij nog eerst mee naar die kast; wat was er nu gebeurd, het vlieggat was te klein en tengevolge daarvan was er geen voldoende ventilatie, waardoor de hitte zoo groot was geworden, dat de raten gesmolten waren en op den bodem gevallen, de bijen voor 't grootste gedeelte dood. Wat eenigszins te redden was heeft vader nog gered. De koningin was nog in leven en deze met een gedeelte bijen en zooveel mogelijk raten bleven in de kast, doch er kwam van dat volk toch het geheele jaar niets meer terecht, het bleef een sukkelaar.
Hieruit kan men zien dat bij groote hitte veel ventilatie moet gegeven worden, wil men geen schade lijden.
(Wordt vervolgd.)