Iets over de hengel.

(Melampyrum pratense)

In de zakflora van Suringar staat over de hengel: komt voor op veenachtige heidegrond, bloeitijd van Juni tot Augustus. Ik zag hem zoowel in Bergen op Zoom als hier in Wageningen tusschen hakhout zeer talrijk.
Een bloemstengel heeft meerder geel witte buisvormige bloemen. De bloembuis is 14 à 15 m.M. lang. De nectarafscheiding is zoo krachtig, dat 2-3 m.M. van de bases der bloembuis met nectar gevuld is. 't Voorste einde van de bloembuis is over 4-5 m.M. zooveel verwijd, dat de kop van een hommel er in kan worden opgenomen. De tong moet dus minstens 10-11 m.M. lang zijn wil het insekt bij de nectar kunnen komen. Behalve de aardhommel hebben al onze hommels een tonglengte van 10-11 m.M., die kunnen dus de nectar weghalen. De kop van de hommel strijkt langs de stempel, raakt de helmknopjes, zoodat kruisbestuiving kan volgen.

Merkwaardiger wijze houdt de nectarafscheiding aan tot de vruchtzetting en dit lokt mieren op bezoek. De zaden gelijken in vorm en grootte op de bekende miereneieren. In ieder geval mieren sleepen de zaden weg en brengen die naar hun nest, waar deze zaden ook ontkiemen. Een verrassende manier om zaden te verspreiden.

Herman Muller zag in Westfalen en Vassau bijen op de bloemen, zij maakten gebruik van een gebeten gat in de bloembuis door een hommel. De bijentong is 6 m.M. lang en te kort om bij de nectar te komen. Ik zelf heb, staande voor een veld van deze bloemen, dikwijls gedacht wat jammer, dat dit geen bijenplant is; want hij groeit zonder eenige hulp en is zoo talrijk aanwezig. Heinsius noch prof. de Vries maken in het kruidkundig archief melding van deze plant. In les plantes Melliféres van Gaston Bonnier Planche 42 N 5 staat een duidelijke, gekleurde teekening van de hengel (het is No. 107 van Afdeeling II van onze Bibliotheek).

Knuth zag hommels en andere insecten op de bloemen echter geen bijen, Schmiedeknecht, Alfken, Loew. Mac Leod in Vlaanderen zagen evenmin bijen op bezoek. Gaston Bonnier geeft in zijn plantes mellifères de hengel niet op onder de bijenplanten.

Mijn vraag is nu of er imkers zijn, die op deze bloemen wel eens bijen waarnemen. Plaats, datum en vooral ook het uur van waarneming is van belang, want er zijn bloemen die alleen in de morgenuren worden bezocht. Wij moeten zuinig zijn met bijenplanten nu er allerlei middelen worden uitgevonden om de flora, die tusschen granen groeit, te vernielen. Herik en korenbloemen is men bezig uit te roeienm. Wanneer er dan over eenige jaren niets meer dan granen op de bouwlanden groeien kunnen wij onze kasten en korven wel op de zolder brengen. Gelukkig is het zoover nog niet.

Febr. 1925.
L.J. v. RHIJN.