Maandpraatje.

September.

September, de maand van de schoone tinten en de maand van de kasopname van den imker. Valt het eerste veelal mede, de oogst is dikwijls zeer matig en vaak is er in het geheel niet te oogsten. De imkers beleven wel een jaar van groote beproeving en de verwachtingen van de heide zijn, zooals thans de zaken staan, niet zeer gunstig.
Weliswaar wordt hier en daar flink gehaald, doch de volken zijn, voorzoover ze niet ten offer gevallen zijn aan het slechte weer, zeker zoodanig gedecimeerd, dat van een werkelijke honingoogst nauwelijks gesproken kan worden.

Ontmoetten we bij een practische les een kast bijen op de heide, welke alle tien raten in de broedkamer bezette, dan werd reeds gesproken van een prachtig volk, terwijl men het vorig jaar voor zoo'n volk den neus zou optrekken en de bekwaamheid van den eigenaar niet zoo heel hoog aansloeg. Thans is dit alles anders. Wie dit jaar geen doode bijenvolken te betreuren heeft, is meesterimker en wie thans zijn bijenstal voor bijna 25 % of meer verloren zag gaan wordt nog niet eens als een slecht imker door zijne collega's beschouwd. Van honingoogst spreken we dan ook maar niet; wie nog honing oogst is zeker een professor in de imkerij, of is een geluksvogel, wien noch de slechte weersgesteldheid, noch de zoo zieke heide deerde.

Nu we het over de zieke heide hebben verzoeken wij aandacht voor het in het Octobernummer op te nemen artikel van den Plantenziektekundigen dienst en de beide Rijksbijenteeltconsulenten, opdat kan worden vastgesteld, wat nu feitelijk de oorzaak van het bruin worden van de heide in verschillende streken van ons land is.
Leekenmeening is, dat de heide door de vorst vernield en door de zon verbrand is. Anderen beweren, dat de grond door de vele regenbuien onvoldoende luchtdoorlatend en derhalve verzuurd is. Nu zich deskundigen met de zaak bemoeien zullen wij waarschijnlijk te weten komen, wat de oorzaak is en hopen we, dat dan ook middelen gevonden worden, dat op tijd die oorzaak wordt bestreden.

De slechte honingoogst speelt velen parten en het is dan ook aan de zeer vroegtijdige suikerbestellingen te zien, dat de nood hoog gestegen is. Van velen maakte zich de zoo noodlottige onverschilligheid meester. Zelfs waren er imkers, welke meenden, dat de bijen ziek waren en de vragen om raad waren vele. En meestal overal luidde de diagnose „een zeer gevaarlijke ziekte", n.l. de lepelziekte, waarvan wij wellicht voor het eerst in een imkersorgaan onder dien naam eene ziekte zien aangeduid, welke elk jaar nu hier, dan daar weer optreedt. De lepelziekte treedt gewoonlijk op in magere jaren en het eerst bij zorglooze en al te zuinige imkers. Zij is kenbaar in de eerste plaats aan het broedtrekken en het vroegtijdig afdrijven der darren, soms gevolgd door het bij bosjes uit het vlieggat rollen van jonge bijen.

De oudere bijen sterven gewoonlijk buiten den korf of kast, terwijl een blik in het broednest ons doet zien, dat de moer opgehouden heeft eieren te leggen. Daar de aanwas van jonge bijen stilstaat en elken dag vele bijen sterven, heeft de ziekte een zeer snel verloop en is spoedig het geheele volk uitgestorven. De ziekte herkent men bij het beschouwen der doode bijen aan een uitgestoken tong en een zeer slank achterlijf. Dit jaar troffen wij verscheidene volken aan, welke tengevolge van de lepelziekte gestorven waren, of zoodanig gedund, dat zij het opzetten niet waard zijn. Hoewel de ziekte niet besmettelijk is, worden bijna alle volken van eenzelfden stal aangetast.

Een heilzaam middel is honing- of suikerwater gedurende eenige weken toegediend in niet te kleine hoeveelheden in een concentratie van 1:1. Wie bovengenoemde verschijnselen bij zijne volken ziet optreden, haaste zich om de vliegplanken en bodemplanken schoon te maken, daar anders de wasmot gretig gelegenheid vindt, om de verwoesting te voltooien. Hij make bovenstaand recept schielijk gereed en houde voorloopig alle collega's van zijne stand ver verwijderd en geve aan de ziekte zoo weinig mogelijk ruchtbaarheid.

Nu we hier eenige ziekten hebben besproken gaan we terug naar de gezonde bijen, welke we in deze maand eens extra goed verzorgen met suikerwater. Allereerst zoeken we goede opzetters uit en voeren deze aanvankelijk langzaam, d.i. met kleine porties; later vergrooten we die porties en brengen de volken op gewicht. Teveel is niet noodig, doch beter te veel, dan te weinig.

De heide is behalve slecht dit jaar, óók zeer laat en het staat te voorzien, als het weer goed blijft, dat vele imkers de volken laat van de heide terug halen. Dit heeft natuurlijk het groote bezwaar, dat de volken laat ingewinterd worden, waardoor zij in het voorjaar zwak zijn en men dan weer een heele toer heeft, om ze op streek te helpen.
Kale volken worden nog wel verhandeld; men zorge ervoor geen afgeleefde bijen te krijgen en bestelle uitsluitend bij een vertrouwd adres.

Als deze maand ten einde is, dan is de rusttijd voor den imker zoo goed als aangebroken. Dit jaar zal de groote zorg om zijn honing kwijt te raken van hem afgewimpeld zijn; daar heeft moeder natuur voor gezorgd. Wij kunnen derhalve onze volle aandacht vestigen aan de inwintering der bijenvolken. Laten wij dit dan ook doen en er voor zorgen, dat wij met goed materieel het volgend bijenjaar kunnen beginnen. Voorloopig worden de volken nog niet warm ingepakt, doch als de gure dagen komen met ijs en sneeuw, dan kan warmte geen kwaad.

Kort na het verschijnen van dit maandschrift zal de Imkersdag te Deventer plaatsvinden, een dag, welke heel wat moois belooft te geven.
Reeds vernamen wij, dat het aantal aanmeldingen voor dien dag de 600 overschreden is, een aantal dat nog nimmer bereikt is. Wij hopen, dat de deelnemers een genoeglijken dag mogen hebben en dat het Septemberzonnetje goed komt maken, wat zij dit jaar bij velen verbruid heeft.

En dan, met frisschen moed, het hoofd rechtop, plannen beramen voor het volgend seizoen. Imkers zijn wonderlijke lui, nimmer wanhopende aan de toekomst en altijd geloovende, dat het in het vervolg wel beter zal gaan. Goed zoo, makkers! laat U niet door tegenspoed terneerdrukken, maar begin, als de bijen wanneer men haar nest mocht verstoren, weer vol moed van voren afaan.
„Luctor et emergo" zegt de Zeeuwsche wapenspreuk, wat beteekent, ik worstel en ontzwem, of, zooals een Zeeuwsch imker onlangs niet onaardig opmerkte .... Lukt het vandaag niet, dan lukt het mèrgen.
Hopen wij dit ook van de bijenteelt.

JOH.A. JOUSTRA.