De warmteverdeeling in den Bijenstok.

De med. Prof. Hesz, directeur van een physiologisch instituut, tevens imker, heeft over de warmteindeeling in den bijenstok onderzoekingen verricht. Bijen verrichten functiën, die men in den regel niet bij insecten, maar alleen bij warmbloedige dieren aantreft. Zij leggen een wintervoorraad op (zooals eekhoorns), bebroeden en voeren hun jongen (zooals vogels) en produceeren 's winters warmte. Het is een toelaatbare zijsprong der onderzoekingen van het Instituut.

Een kunstzwerm werd in den zomer van 1925 in een Spuler kast op het terras van het Instituut voor het onderzoek neergezet. De warmteverdeeling in den stok is meermalen nagegaan o.a. door Demuth, Phillips, Armbruster, enz. De moeielijkheid is, dat de temp. in den stok ongelijk verdeeld is, een kleine verplaatsing van den thermometer is voldoende om een andere temp. te vinden. Een hermometer is voor de bijen een vreemd voorwerp, veroorzaakt reactie en doet de temp. stijgen. Wij moeten bij het onderzoek daarmeden rekening houden. Noodig is het gelijktijdig opnemen der temp. op verschillende plaatsen, en zoodanige plaatsing der thermometers, dat zij bij de bijen geen reactie opwekken.

Gebruikt werden electrische thermometers, deze geven bij verandering van temp. een electrische stroom, welke met een fijn instrument gemeten wordt, en waaruit met groote nauwkeurigheid de temp. kan worden afgeleid. Zij kunnen zoodanig in de raten worden bevestigd, dat zij door de bijen niet worden opgemerkt en dus geen reactie geven. In drie raten waren telkens 9 thermometers aangebracht, die ieder gescheiden waren door een gewone raat. Verder werd de temp. gemeten vlak boven de raten in de kast, buiten de kast nabij de voorwand en nabij de achterwand, eindelijk de lucht temp. met een kwik-thermometer.


De nummering der thermometers was aldus:
de tweede raat bij het vlieggat onder vóór 1, daarboven in het midden 2, boven 3, in het midden onder 4 enz. tot 9. Hierdoor was het mogelijk op 27 verschillende plaatsen van den winterzit der bijen de temp. op te nemen.
De opname der temp. van alle thermometers geschiedde twaalf maal in de 24 uur automatisch. Het spreekt van zelf, dat een dergelijke controle met kostbare instrumenten alleen op Laboratoria mogelijk zijn. Gedurende den geheelen winter bleef de temp. het hoogst bij punt 1 en 2, dus nabij het vlieggat, daarna volgde het centrum van den bijentros. De daling van af het centrum volgt in alle richtingen en is het sterktst bij de peripherie. De laagste temp. in het centrum waargenomen was 18 gr.; meestal bleef deze boven 20 gr. en steeg soms tot 30 gr. Eenmaal was zelfs de temp. in het centrum 35 gr., nadat eenige sneeuwballen boven op de kast waren geworpen. Deze sterke stijging was een gevolg van de reactie opgewekt door uitwendig geweld, en is alleen mogelijk door een grooter voedselverbruik.

Bij een luchttemp. van -11 gr. was de temp. in het centrum 32 gr., een verschil van 43 graden. De warmte-reguleering functioneert zoodanig, dat het bijenlichaam, onafhankelijk van haar plaats in de tros, toch 7 tot 8 gr. warm blijft. Daalt buiten de temp., dan stijgt centraal de temp. zoo hoog, dat de bijen bij een toenemende warmteafgave zelf toch een temp. van 7 tot 8 gr. behouden. Noodzakelijk moet er dan ook weer meer voedsel worden verbruikt. Is de temp. buiten in de schaduw 8 gr. dan wijkt de tros uit elkaar en kan de vlucht beginnen. Het evenwicht tusschen warmte-verlies en warmteproductie blijft behouden. Wel zijn er dagelijksche schommelingen in de temp.; maar nooit is er een plotselinge sterke daling of verheffing.

Hoe streng de winter ook is, de bijen in het centrum der tros gezeten leven in zomersche warmte. De harige pels van het borststuk der bijen gedekt door de neergedrukte vleugels belet als een donzig dekkleed de uitstraling van warmte. Waarom het centrum der tros zoo warm is? Hier bevindt zich de koningin, die als het kostbaarste bezit van het volk de beste plaats toekomt. Bijen zijn 's winters niet verstijfd, zij slapen niet; maar rusten evenals vogels met opgebolde veeren als het koud is.

Zooals reeds is opgemerkt nam de temp. der tros naar de peripherie steeds af. Boven, dus bij raat 2, was de sterkste daling bij de punten 3, 6 en 9. Het verschil tusschen twee boven elkaar gelegen punten was soms 15 tot 20 gr. Werd de warmte der bijentros naar boven afgegeven, dan was dit niet mogelijk. De uitgeademde verwarmde lucht wordt door het vlieggat verwijderd. De versche lucht wordt door de bijen uit de ruimte boven de tros opgezogen, doorstroomt de tros, neemt de waterdamp en uitgeademde lucht op en verlaat door het vlieggat den stok. Terzijde van de raten, waar geen tegenstroom is, komt de buitenlucht naar binnen, wordt dan verwarmd en stijgt naar boven, neemt het aanwezige vocht op en wordt daarna door de bijen opgezogen. Hierdoor blijft de kast van binnen droog en de afgestane warmte van de tros wordt weer nuttig gebruikt.

Nu is het te begrijpen, dat de hoogste temp. steeds gevonden werd bij de punten 1 en 2. De laagste temp. door de thermometers in de raten aangegeven was -1, 6, bij een luchttemp. van -8. Temp. onder nul kwamen alleen voor bij de onderste punten nabij de achterwand, bij raat 2 in punt 7. Stijgt buiten de luchttemp. snel, dan volgt de stijging binnen in de kast langzaam, zoodat het binnen koeler is dan buiten.

Honig is een hechte warmtegeleider, deze omgeeft de zitplaats der bijen en voorkomt plotselinge sterke verschillen in de temp. In de natuur past altijd alles juist in elkaar. Op de broedplaatsen heerscht een constante temp. grootere verschillen dan ½ graad komen niet voor, onverschillig welke luchttemp. er is, op de broedplaats blijft de temp. tusschen 35 en 36 gr. Stijgt buiten de temp. sterk en krijgen de bijen het te warm, dan is een koele luchtstroom niet voldoende voor afkoeling, en gaan de bijen zweeten.

Bij het voeren verwarmen de bijen de cellen voordat zij het versche voedsel er in opbergen. Sterk verdunde suikeroplossing dampen de bijen zelf in tot een grootere concentratiegraad, natuurlijk gaat dit langzamer dan op vuur. Er is dan gevaar voor gisting van de suikeroplossing. Het indampen door de hijen kost suiker, evenals het vuur brandstof noodig heeft. Gelijke deelen suiker en water gist niet.


Hoe gevoelig bijen voor prikkels zijn bleek overtuigend bij het werpen van sneeuwballen op de kast. De sterke stijging nam eerst na dagen af en toch was het daarna voldoende sneeuwballen op den grond te werpen om reactie te zien. De eerste prikkel had de bijen gevoeliger gemaakt. Practisch bewijst dit hoeveel kwaad een mees kan doen, die ongestoord meerdere dagen de bijen wakker maakt.

Prof. Hesz heeft alleen de temp. van een gezond volk gemeten. Het is
niet onwaarschijnlijk, dat bij geregelde temp. metingen van een ziek volk belangrijke gevolgtrekkingen kunnen gemaakt worden.
Sept. 1927, L.J. VAN RHiJN.