Maandpraatje.

Februari.

De kortste maand van het jaar en tevens eene, waarvan sommige imkers beweren, dat deze maand regeert over het geheele bijenjaar. Immers: Lichtmis helder en klaar, geeft een goed bijenjaar!
Hoe onze voorouders aan dergelijke spreuken kwamen is mij onbekend, maar zeker is het, dat deze spreuk van nul en geener waarde is. Gelukkig, dat onze tegenwoordige imkers zich niet laten afschrikken door een sombere 2 Februari en gelukkig ook weer, dat een heldere Lichtmis de imkers niet tot avontuurtjes beweegt.

Tóch is Februari een maand, welke van grooten invloed kan zijn op de verdere ontwikkeling van de bijenvolken. Na de uitwintering toch zullen wij met grootere nauwgezetheid onze immen moeten gadeslaan, want het is bekend, dat in de eerste drie maanden van het jaar gewoonlijk de meeste volken sterven, of gedecimeerd worden. Schriele of onbedachtzame imkers gaven in het najaar vaak onvoldoende voedsel en dat wreekt zich in hevige mate in de eerste maanden van het jaar.
Dan wordt er gebroed en is het verbruik vaak bizonder groot.
Dan worden vaak noodlottige uitvluchten gemaakt naar vliet en waterplas en is het verlies aan bijen zeer groot, vooral bij guren wind en regenvlagen.

Volgens de waarnemingen door onze waarnemingsstations was het verlies in de maanden Januari t/m Maart in 1927 niet minder dan 5 K.G. per volk en wie dus ongerust is over de voorraad voedsel bij zijne bijenvolken, die haaste zich na het ontvangen van Ons Groentje naar zijne bijenvolken om zich te overtuigen, dat er nog voldoende voedsel aanwezig is. Voedselgebrek dient terstond te worden verholpen; de wijze waarop dit geschieden moet, kan men in vorige jaargangen vinden.

Waar gebroed wordt is warmte een eerste eisch en men late zich door een mooien dag niet verleiden, het winterdek af te nemen. Wél verwijdere men eventueel vochtig geworden bedekking, om deze door een droge te vervangen. Half Maart ongeveer, misschien wel wat eerder kunnen we op een mooien warmen dag onze volken eens inspecteeren, bodemplanken schoon maken enz. In het bizonder verwijzen we hierbij naar het in dit nummer voorkomende verzoek van Dr. A.J. Winkel te Rotterdam. Wie wat verdachts bij zijne volken opmerkt, die zende onverwijld een monster bijen naar de Rijksseruminrichting te Rotterdam.

Het is n.l. gebleken, dat dit geen overdadige handeling is en wie, als wij, een sterk door Nosema aangetasten bijenstand zag, die zal zeker niet nalaten aan dat verzoek te voldoen. Maar ook, al waant men zich veilig, het is eene geruststelling te weten, dat zijne volken kerngezond zijn en waar onze Vereeniging een lid heeft, dat zich zeer voor bijenziekten interesseert, zullen we hem zeker het materiaal voor zijne onderzoekingen niet onthouden.

Waar ook in deze maand de bijen nog zooveel mogelijk rust gegund moet worden, strekke men zijne waakzaamheid ook nog over deze maand uit en trachte men zooveel mogelijk die rust te bestendigen.
En nu eens een woordje aan den meer gevorderden imker. In het Januarinummer drukten wij het programma voor het examen voor Bijenteelt af, op verzoek van verschillende imkers en tevens in den hoop, dat zich nu eens meer imkers aan dit examen zullen onderwerpen.
Wij beschikken over veel te weinig leerkrachten in bijenteelt en zoo kunnen wij herhaaldelijk in de jaarverslagen lezen, dat geen lezing of practische les gehouden is, omdat het aan een leerkracht ontbreekt.

Is dat niet jammer? Indien zich vooral in het Noorden van ons land, eens eenige intellectueele imkers bekwaamden voor het examen en dan later cursussen, practische lessen gaven, of lezingen hielden, dan zouden ook daar de imkers kunnen profiteeren van de wetenschap van anderen en waar het Rijk bijdraagt in de kosten daarvan, kunnen ook de economisch zwakkere afdeelingen zich de weelde eens veroorloven een spreker te ontbieden. Wordt men er al niet rijk door, de wetenschap, dat wij er andere imkers mee gerieven, zal dan toch wel een aansporing zijn, om het getuigschrift te verwerven.
Neemt men het eens in overweging?
JOH.A. JOUSTRA.