Inleiding tot het gebied der Bijenziekten.
(Vervolg.)
Enkele ziekten, het steen- en het kalkbroed hebben tot oorzaak een schimmel, welke het broed in een harde massa doet ontaarden.
Tenslotte zijn er eenige belangwekkende dierlijke parasieten, welke ziekten kunnen veroorzaken en waarover ik nog kom te spreken. Ik wil mij eerst bepalen tot de besmettelijke broedziekten, welke men onderscheidt in het goedaardige en boosaardige vuilbroed.
Op de 62ste vergadering van Duitsch-sprekende imkers in Juli 1924 te Düsseldorf gehouden werd besloten vast te houden aan deze eenvoudige benaming welke in het vervolg in Zwitserland, Oostenrijk en Duitschland algemeen zal gelden, zoodat het gevaar voor verwarring tusschen de velerlei namen, welke aan deze ziekten werden gegeven, is weggenomen. Vele van deze namen zijn wel typisch. De volksmond zegt de dingen meermalen buitengewoon raak en zoo worden zij vaak aangeduid naar het verschijnsel, dat het sterkst op den voorgrond treedt.
Het goedaardige vuilbroed: het Zuurbroed heeft b.v. den laatsten naam te danken aan de zure lucht, welke het gestorven broed afgeeft, de naam „goedaardig" aan het karakter der ziekte, hetgeen nog meer omvattend, meer doeltreffend moet worden geacht. Over de eigenlijke oorzaak is men het nog niet eens. Verschillende bacterie soorten heeft men uit het afgestorven broed kunnen isoleeren. White, een Amerikaansch bacterioioog heeft een bepaalde soort gekweekt uit het broed, waarmede hij gezond broed wederom wist ziek te maken. Anderen gelukte dit niet, en men staat zelfs op het standpunt, dat een z.g. filtreerbare smet-stof de eerste ziektestoot geeft, terwijl bepaalde bacteriesoorten het vernietigingswerk voortzetten, dat dan den onderzoeker onder oogen komt.
Zoo heeft men langen tijd gemeend, dat b.v. varkenspest en mond- en klauwzeer bij de dieren, mazelen en roodvonk bij den mensch door bacteriën werden veroorzaakt, terwijl deze slechts een tweedehandsche rol in de ziekte vervullen. Van deze tweedehandsche zijn er bij het goedaardig vuilbroed een paar, die door hun specifieke eigenschappen een geheel verschillend beeld van vuilbroed opwekken. En zoo is het, dat de eene imker spreekt van zuurbroed, een ander van stinkend broed, al naar mate de veranderingen in het larvenlijkje worden veroorzaakt door een bacterie, die een zure omzetting teweeg brengt of een toestand van rotting.
Nog een benaming is die van het vuilbroed der ongedekselde larven, hoofdzakelijk betrekking hebbend op zuurbroed,tegenover den boosaardigen vorm van het gedekselde broed, een eveneens typeerend verschil aanduidend. Hetgeen wij aan het larvenlichaam waarnemen is ongeveer het volgende:
Terwijl de normale larve of made in haar kleine cel ringvormig den bodem bedekt, de insnoeringen scherp zijn geteekend, de kleur geel-wit en glanzend is, en het lijfje zelf bol gevuld en gespannen, verliest het deze eigenschappen na den dood. Bij het zuurbroed blijft het chitinehuidje onaangetast, de vorm blijft dus bestaan, maar het lijf zakt ineen, wordt slap, verliest zijn insnoeringen, bovendien zijn kleur, wordt geel, steeds donkerder geel, bruin, de inhoud van het lichaam wordt breiïg, opdrogend tot een kruimelige massa; deze lichaamrest is niet vast aan den celwand gekleefd en kan dan ook door de bijen zelf worden verwijderd.
Een ander imker ziet echter de gestorven larven overgaan in een slijmerige, boterige substantie, een zeer onaangename, bijtende, aan voetzweet herinnerende reuk afgevend. Deze massa droogt eveneens in, doch hier tot korsten, welke een donkerbruine en glanzende kleur hebben: dit is dan het stinkende vuilbroed, waarvan de cellen door de bijen eveneens kunnen worden gereinigd. Op grond van deze zelfreiniging van het goedaardig vuilbroed, baseeren de Amerikanen dan ook hun maatregelen ter bestrijding, d.w.z. te zorgen voor zeer sterke volken en het gebruik maken van bijen met groote reinigingszin, waartoe zij boven andere de Italiaansche koninginnen prefereeren.
Anders is het gesteld met den boosaardigen vorm van het vuilbroed. Duitsche en Amerikaansche ervaringen zijn een goede leiddraad om een denkbeeld der ziekte te krijgen. Een der Zwitschersche onderzoekers schrijft in een bijenblad, dat het gebeurde, dat bijenhouders, wier stand geheel ten gronde ging aan deze ziekte, hun raten aan den tuinheg neerhingen met het opschrift: „ik heb het vuilbroed gehad, een ander mag ze ook krijgen." Wij zijn even verrast en misschien verontwaardigd over dergelijke, toch wel zeldzaam voorkomende handelswijze; het feit typeert echter de gevaarlijkheid der ziekte en doet de noodzakelijkheid erkennen van bestrijding, welke in Zwitserland eerst door onderlinge Verzekering, in 1909 door wettelijke voorschriften werd geregeld.
De oorzaak der ziekte is een staafje, bezet met een dichte krans van zweepdraden, waarmede zij zich kunnen bewegen. Behalve aan het broed zelve is voor den oplettenden imker ook aan den raat een en ander waar te nemen. Waar het in hoofdzaak een ziekte van het gedekselde broed betreft, is er in het begin na de sluiting der cel nog niets te zien. Wanneer de afgestorven larve echter gaat indrogen trekt de deksel der cel naar binnen, soms tot halverwege de celruimte, een typisch verschijnsel, evenals het voorkomen van talrijke gaatjes in de celdeksel, hetgeen op de zieke raat duidelijk is waar te nemen.
Het merkwaardigste verschijnsel is echter het dradentrekkende karakter van den inhoud der cellen. Neemt men een lucifer en roert deze in den cel om, dan trekt men de vergane larvenmassa als lange draden te voorschijn.
In den herfst, wanneer het gezonde broed is uitgeloopen, is de onregelmatige broedstand, welke dus het afgestorven broed betreft, het eerste en opvallende verschijnsel, terwijl bij nader onderzoek de reeds genoemde afwijkingen meer of minder duidelijk aan den dag treden. Hoe een afsterven van het broed op toenemende schaal het volk tenslotte ten gronde moet richten, is begrijpelijk. Hoewel deze verschijnselen zeer duidelijk kunnen voorkomen en een ervaren imker de ziekte hieraan meestal herkent, is een beslissende uitspraak eerst mogelijk door het microscoop, daar ook door andere oorzaken afgestorven broed b.v. tengevolge van koude een eenigszins op dit ziektebeeld gelijkend proces te zien kan geven.
Verder vormen zij sporen, die zeer taai zijn en waarvan is bewezen, dat zij nog na 20 jaar hun volle werkzaamheid bezitten en de ziekte nog kunnen opwekken. Evenals bij het goedaardige vuilbroed heeft hier de besmetting plaats door middel van de voeding. De made, gevoerd met kliersap der voedsterbij, vermengd met stuifmeel en honing krijgt de smetstof in den darm; doch eerst in het stadium der sluiting van de cel, wanneer dus de voeding is beëindigd, begint de bacterie zijn vernietigend werk, treedt vanuit den darm in het geheele lichaam en doorwoekert dit, zoodat er van het eigenlijke lichaam weinig meer overblijft en het één dradentrekkende massa is geworden, waarbij de genoemde zweepdraden de oorzaak zijn van dit karakteristieke verschijnsel.
De massa in de cel ondergaat hier ook verschillende kleurveranderingen, zij droogt in, vormt een korst op den celwand, die niet door de bijen zelf is te verwijderen. Een spcifieke reuk verspreidt dit vuilbroed evenzeer niet. Daar het een ziekte is, zooals hiervoor reeds gezegd, welke door de voeding van het jonge individu tot stand komt, is het gemakkelijk te begrijpen, dat de verspreiding der ziekte plaats grijpt door alles wat direct of indirect aanleiding kan geven tot besmetting van het voedsel. Dat stamphoning een groote rol speelt, behoeft geen betoog; dat de argelooze of gedachtenlooze imker de grootste rol speelt, zal niet nader behoeven te worden toegelicht. Dat de losse bouw zeer bevorderend heeft gewerkt op de uitbreiding, evenmin.
Slechts dit wil ik over bestrijding zeggen. De bijen zelf kunnen het niet. Vernietiging van alles, waarin en waarop smetstof aanwezig kan zijn door zeer krachtige ontsmettingsmiddelen (denkt om de taaiheid der sporen!) is een der hoofdprincipes. Hoe deze moet plaats hebben, zal ik hier niet uiteenzetten.
Ten tweede een onderrichting van den imker, dat hij de hoofdschuldige kan zijn bij de verspreiding!
Ten derde het in het leven roepen van beschermende bepalingen. Dan moeten de broedziekten volgens het oordeel der Zwitsers een der gemakkelijkst te bestrijden ziekten zijn. Kinderspel volgens Prof. Zander, vergeleken bij de bestrijding van de beide volgende ziekten, die der volwassen bij.
De Nosemaziekie en de Mijtziekte.
De Amoebenziekte is eveneens een parasitair bijenlijden, echter van nog weinig bekendheid. De Mei-ziekte, heeft waarschijnlijk geen bacteriëelen of parasitairen oorzaak.
Alleen over de Nosema zou een morgen zijn te praten. Er is vanaf 1909, toen Prof. Zander in Erlangen de parasiet herkende en beschreef, heel wat papier zwart gemaakt, heel wat tijd voor onderzoekingen besteed, terwijl men nu, 18 jaar later, het nog verre van eens is over de rol, welke de parasiet in het bijenlichaam en in het bijenvolk speelt. Hoe dit komt, wil ik trachten duidelijk te maken. Het lag voor de hand toen men de parasiet had vastgesteld en men geen andere oorzaken kende, dat in den eersten tijd alle bijensterfte op rekening werd gesteld van deze Nosema, ook de ons allen bekende roerziekte. Geschriften uit den begintijd waren er vol van. Zander zelf was de eerste verdediger van dit standpunt, dat hij in den loop der jaren echter wel eenigzins is gaan wijzigen.
Het zij mij vergund, alvorens op de interessante geschiedenis door te gaan, U enkele dingen te zeggen van den parasiet zelve. Hij behoort tot de groote groep van oerdiertjes, ééncellige dieren dus, van een dus even eenvoudigen bouw als de ééncelligen (plantaardige) bacteriën.
De vorm van den parasiet zooals wij die in den darm aantrefffen is ovaal-vormig. De lengte die van een groote bacterie. Deze vorm van den parasiet, de spoor genoemd, is (als het zaad bij de plant), het eindstadium van zijn ontwikkelingsgang, die vrij samengesteld is.
In de spoor ligt het nieuwe levensbeginsel besloten, dat onder gunstige voorwaarden, n.l. als zij in den darm van een gezonde bij wordt opgenomen, verschillende deelingsvormen in den darmwand ondergaat, hierin zich vermenigvuldigt op een matelooze wijze, zoodat 8 dagen nadat de besmetting heeft plaats gehad, de darmwand stampvol kan zitten van de parasieten. Het is dus een darmparasiet, die met het voedsel wordt opgenomen en zijn terrein van actie tot den darmwand beperkt. Behalve in de urinekanalen, waarin hij een enkelen maal werd geconstateerd, komt hij nergens anders in het lichaam voor.
Wanneer men het ziektebeeld en het verloop der ziekte in oogenschouw neemt, moet men wel onderscheid maken tusschen de ziekte van de afzonderlijke bij en het verloop der ziekte in het volk. Schijnbaar lijden de bijen, ook in geval ze in sterke mate besmet zijn, niet van de parasiet. Ik heb talrijke bijen, beladen met een groote vracht stuifmeel, onderzocht en die stampvol zaten. Of hun leven niet bekort wordt is een tweede. De dood kan een plotselinge zijn. Met stuifmeel beladen bijen zitten als verlamd, met trillende vleugels, het achterlijf opzet. Deze verschijnselen worden echter ook bij de Mijt- en de Meiziekte waargenomen, ook bij roer.
Opent men een aan Nosema lijdende bij, dan valt de hoedanigheid van den middendarm bijzonder op. Deze is vaak sterk uitgezet, krijtwit, scheurt gemakkelijk en is dus van de geel of bruin gekleurde, bij versche bijen nimmer afscheurende darm, meestal goed te herkennen, al zijn de genoemde teekens natuurlijk het duidelijkst aanwezig bij zeer sterk besmette bijen.
Een hevig dorstgevoel, gepaard gaande met een sterke intering van den voedselvoorraad wordt waargenomen, wanneer het volk zeer lijdende is. Doch het verloop der ziekte in het volk is echter zeer verschillend en de geschiedenis der onderzoekingen, waarvan ik U een en ander nog wil meedeelen, zal U dit duidelijk maken. Deze geschiedenis, vooral der onderzoekingen in Zwitserland, waar vanaf den begintijd der organiseering op bijengebied ook het intensiefst is gevorscht naar het wezen der verschillende ziekten, levert ons eenige belangrijke punten op om wat thuis te komen in het vraagstuk, waarom het ons hier ook hoofdzakelijk te doen zal zijn.
Doch ook Amerika, Duitschland en Oostenrijk hebben hun studies gemaakt
van de ziekten en verschillende belangrijke mededeelingen gedaan. Reeds in 1910 werden door verschillende wetenschappelijke onderzoekers in Zwitserland voordrachten gehouden over de Nosemaziekte. In 1912 en 1913 kwamen ook bekende geschoolde imkers hun ervaringen mededeelen en men kwam tot de conclusie, dat er voorloopig geen reden tot ongerustheid was, tegen de meening van Prof. Zander in; de parasiet kwam tè algemeen voor, zonder schade te berokkenen. Men meende, dat voeding en verpleging van grooten invloed waren op het uitbreken der ziekte.
(Wordt vervolgd.)