François Huber.

Als de Homerus van het menschelijk geslacht was hij blind, François Huber, de Homerus van het bijenleven. Over eenige jaren zal het een eeuw zijn geleden, dat Huber stierf. Misschien zal het mij gegeven zijn, ter herdenking van dien sterfdag te komen met een uitvoerige levensschets van den man, wien de imkerswereld misschien meer te danken heeft dan aan eenig ander. Bouwden niet allen, die na hem kwamen voort op de grondslagen, die hij gelegd had? Voor ditmaal mogen eenige regels voldoende zijn, naar aanleiding van de belangstellende opmerking, die een belangstellende vraag inhield, in het Januarinummer 1928 van dit tijdschrift.

Wanneer wij over François Huber spreken rijzen voor ons op de gestalten van zijn zeer talentvollen vader, wiens genotzucht oorzaak was, dat hij met zijn groote gaven in de verste verte niet het nut stichtte waartoe hij bij geregelden arbeid bekwaam geweest zou zijn — van zijne echtgenoote die hem huwde toen het reeds vaststond dat hij binnen zeer korten tijd blind zou worden en van wie Huber later getuigde, dat hij het gemis van het licht zijner oogen niet had geteld, zoolang zij leefde — van zijn dienaar en medewerker, François Burnens die met eindeloos geduld den blinde zijne oogen leende en diens eindelooze vragen beantwoordde, waardoor de meester in staat gesteld werd zijne merkwaardige wetenschappelijke ontdekkingen te doen en te beschrijven, alsof hij zag.

En Huber zelf. Van zijn vader erfde hij ongetwijfeld diens groote veelzijdigheid en liefde tot de natuur; misschien was het voorbeeld dat zijn vaders weinige arbeidszin hem gaf bij tegenstelling de oorzaak, dat de zoon zich al te veel inspande om te werken. Het voortdurend lezen in halfduister bracht hem reeds op vijftienjarigen leeftijd op de grens van blindheid, het overspannen studeeren putte zijn krachten uit.
Naar het platteland gezonden — Genève was zijn woonplaats — bracht het buitenleven hem wel weder op krachten, maar zijne oogen waren ongeneeslijk bedorven, de hulp van de beste Parijsche specialiteiten, voor hem ingeroepen, kon zijn gezicht niet redden. Nog nauwelijks meerderjarig, werd hij geheel blind en moest hij zijne vele studiën met vreemde hulp voortzetten.

Ondanks een gebrek, dat voor ieder ander een onoverkomelijk beletsel zou zijn geworden, maakte hij de bespieding van het bijenleven tot zijn levenstaak. Hij vond de observatiekast uit — een platte doos met vliegopening, geschikt voor opneming van één raat. Hij bracht een der eerste woningen voor lossen bouw te voorschijn (U weet, dat de losse bouw reeds in het Griekenland der Oudheid bekend was, zoodat niemand zich er op beroemen kan, de eerste zoodanige woning te hebben samengesteld); daartoe voegde hij eenige zijner observatiekasten — elk met haar vlieggat en vlieggatschuifje — bij elkander. Een zeer primitieve inrichting, maar dan toch eene inrichting, die hem in staat stelde een groot aantal te ontsluieren van de merkwaardigheden van het bijenleven, die tot dusver, dank zij de korf- en blokwoningen, een diep geheim waren gebleven of tot onware beweringen geleid hadden.

Zoo weerlegde hij de oude meening, dat de bijen haar was bereiden uit
stuifmeel. Welk een taai bestaan hebben zulke, uit onkunde geboren opvattingen: in mijn jeugd, tachtig à negentig jaar na Huber's verscheiden, werd in de scholen nog maar steeds geleerd, dat de bijen honing vervaardigden uit bloemensap en was uit stuifmeel!
Zoo bevond hij ook, dat de bijenkoningin bevrucht wordt op haar bruidsvlucht en, wat meer is, hij wist reeds, dat eene jonge koningin soms meer dan ééne bruidsvlucht onderneemt en zich daarbij op verschillende van de vluchten door darren laat bevruchten. Deze laatste ontdekking zou eerst zeventig jaren nadat zij in Huber's geschriften wereldkundig was geworden, opnieuw worden gedaan. Zoo bevond hij ook, dat de koningin, die niet in de eerste weken van haar bestaan bevrucht wordt, darrenbroedig wordt. Von Berlepsch zou ons later leeren, dat het een enkele maal wel voorkomt, dat eene moer van omstreeks een maand oud nog volledig bevrucht wordt. Zoo is het met de meeste ontdekkingen van Huber: op kleinigheden behoeven zijne bevindingen wel eens aanvulling, zelden heeft hij het geheel mis.

Huber ontdekte ook, dat de werkbijen niet geslachtloos zijn, maar geslachtelijk ontwikkeld: hij deed zes omstandige waarnemingen betreffende eierleggende werkbijen; bij eene daarvan liet hij Burnens gedurende elf dagen lang de werksters één voor één uit een volk wegvangen.
Voor het eerst door Huber werd nauwkeurig beschreven, hoe de bijen te werk gaan bij haar ratenbouw, hoe zij was zweeten, hoe zij de aanvangscellen maken door uitholling, hoe zij voortgaan, haar bouwsel te voltooien.

Wel, mijn artikeltje is verder uitgeloopen, dan in de bedoeling lag. Het moge mij vergeven worden. Voorzeker kan de onverwoestbare volharding van een Huber den bijenliefhebbers niet te duidelijk voor oogen gebracht worden, vooral niet dengenen, nog te talrijk onder ons, die zoo licht geneigd zijn, bij tegenslag den moed te laten zinken en te gaan denken over verandering van liefhebberij.
Rijswijk, 22-1-'28.
BERCKENKAMP.