Inleiding tot het gebied der Bijenziekten.
(Vervolg.)
In 1924 wordt in de Zwitsersche bladen gesproken van geweldige schaden, terwijl 1925 genoemd wordt als een Nosemajaar. Zoo is dus zooals Mogenthaler dit jaar in het Archiv für Bienenkunde schrijft, het Nosema-alarm geen laboratoriumproduct, maar is het alarm uit de practijk opgegaan en zoo zal alleen samenwerking tusschen beide wellicht eens tot een oplossing leiden. Voorloopig heeft men in Zwitserland de hoop opgegeven, te mogen spreken van Nosema-vrije streken, welke meening men ook in Duitschland is toegedaan. Bijna alle stallen, zij het ook in geringe mate, zouden besmet zijn.
En ook in 1926 is in Zwitserland de ziekte weer in een sterken graad geconstateerd. Doch nu was het zóó, dat vaak de beste volken het sterkst waren besmet, zonder dat de parasiet merkbare schade veroorzaakte, zoodat de imkers tot de medelijdende verzuchting kwamen: „De arme kerel heeft niet eens Nosema op zijn stand, wat zal hij ellendige volkjes hebben". Eén vereeniging was onwillig met het onderzoek opgehouden, toen zich het wonderlijke verschijnsel van de omgekeerde evenredigheid bij vele leden voordeed. De door de vereeniging aangestelde onderzoekers wilden zich aan den spot der imkers niet meer blootstellen.
Hoe ook in Duitschland de belangstelling en de vrees voor het Nosema-gevaar afmetingen heeft aangenomen, welke de grenzen der redelijkheid in sterke mate overschrijden, blijkt wel uit de komische opmerkingen, welke Armbruster, een vooraanstaand bijenonderzoeker in Duitschland, in zijn brochure „over het onderzoek op Nosema door den imker zelf" ten beste geeft. Elke imker, wien op zijn stand iets niet bevalt, zegt met kennersblik: „Ik heb ook al die vervloekte Nosema op den stand". Armb. trachtte na te gaan hoe hij tot deze bewering kwam. Ge hebt zeker bijen ingezonden en positief antwoord gekregen? Neen, dat niet, maar het is natuurlijk zeker, dat ik ze heb! U hebt zeker zelf een microscoop en ze gevonden? Neen, dat ook niet maar ik ken toch wel Nosema! Ja, ja, maar waartoe besluit Gij tot Nosema.
Maar, ik vraag U, ik zal toch wel Nosema kennen, trouwens mijn buurman heeft ze ook! Ach, nu begrijp ik het, de buurman heeft zeker bijen ingezonden? Maar wat wilt U eigenlijk, wij imkers hier, weten toch wel het best, dat er bij ons iets niet in orde is en wat anders zou het dan zijn als Nosema?
Nosemaraadsels zooals Zwitserland ze ook waarnam, kent men ook in Duitschland en Armbruster legt er den nadruk op, niet elke schade aan de parasiet te wijten, noch minder tot vernietiging over te gaan van de zieke volken. Het doel van het boekje noemde ik reeds. Vrijwillige bestrijding moge het gevolg zijn, geen verplichte aangifte, zooals Oosterwijk, die het in 1924 in de wet als zoodanig opnam! Een stap, die U te denken zal geven. Doch dit land schijnt wel, evenals Zwitserland, slechte ervaringen te hebben opgedaan. Geheele standen van 40—60 volken stierven uit, zoo schrijft men, en nu is het er zóó mee gesteld, dat, waar de parasiet in sterke mate wordt geconstateerd, men de keuze heeft tot verbranding van den heelen stand of verplicht is het uitvliegen te beletten, hetgeen wel op hetzelfde neerkomt.
Ik meen te mogen opmerken, dat het een wijs besluit van Zwitserland is, het vraagstuk eerst nog aan een nadere studie te onderwerpen, waartoe in Nov. 1925 een zeventallige commissie werd benoemd.
Doch wij zijn nog niet ten einde met onze Nosema beschouwingen alvorens ik het eigen land bespreek en enkele van mijn eigen onderzoekingen, wil ik nog het standpunt uiteenzetten van Philips, bekend entomoloog in Amerika, te meer, waar hij de kwestie der roerziekte in het Nosema-probleem betrekt op een wijze, welke alle aandacht verdient.
Volgens Philips ontstaan de ziekten, welke als algemeene verschijnselen hebben:
1e. bijensterfte gedurende den winter;
2e. roerziekte;
3e. zwakte in het voorjaar en chronisch zwak blijven gedurende den zomer, als gevolg van stoornissen van physiologischen aard, d.w.z. dat deze afwijkingen ontstaan nog binnen de grenzen van het normale leven.
Het zal U niet onaannemelijk toeschijnen, dat vele z.g. abnormale lichaamstoestanden bij mensch en dier beginnen op de grenzen van het normale leven. Een verhoogde darmactie met als gevolg diarrhee behoeft geen ziekelijke afwijking ten grondslag te hebben; een versnelde ademhaling geen ontsteking van slijmvliezen of longen.
Philips zegt: 100 gevallen van ziekte zijn het gevolg van slechte imkerpraktijk tegenover één van besmettelijke ziekten. Deze belangrijke uitspraak licht hij dan op deze wijze verder toe: Ten gevolge van de opname van b.v. slechte honing, welke veel onverteerbare stoffen nalaat, ontstaat er een darmbelasting. In ons land wordt heidehoning vaak de schuld gegeven, in het buitenland honingdauw en dennenhoning.
Deze overbelasting veroorzaakt onrust (bruischen), meerdere beweging, uit elkaar gaan van den goed gesloten wintertros. Ook andere en wel uitwendige stoornissen kunnen tot deze onrust bijdragen, mensch en dier zijn vaak schuldig, ook moerloosheid.
Wanneer het volk zwak is en de verpakking slecht, treedt er eveneens ten gevolge van de omgevende lage temperatuur der omgeving onrust op, verhoogde bewegelijkheid, meerdere voedselopname en stijging van de temperatuur. Hetzij slechte voeding of verpleging, al deze oorzaken hebben dus indirect een sterke warmteproductie ten gevolge, waarop de koningin begint te leggen. Deze vroegbroeders hebben meerder voedsel noodig. Overbelasting van den darm treedt steeds sterker op en de cirkel zonder einde is het einde.
Daar komt nog bij, zegt Philips, dat een wetenschappelijk onderzoek o.a. van Hertig in Amerika, heeft aangetoond, dat Nosema geen belangrijke levensfuncties behoeft te storen, dat bovendien Nosema niet met roer behoeft samen te gaan en omgekeerd, en voegt hij er aan toe, dat in Amerika de Nosema nimmer een gevaarlijke parasiet was en er geen gevallen bekend zijn van zware verliezen.
Deze beschouwingen van een erkend onderzoeker geven evenzeer te denken en wanneer Mogenthaler stelling neemt tegen diens conclusie en de Nosema-parasiet als een opzichzelfstaande ziekte wil erkend zien, die groote schade kan aanrichten, dan zien we, hoe ver we nog van een oplossing van het vraagstuk afstaan.
Tenslotte wil ik nog een en ander zeggen over het voorkomen der ziekte in ons land. Deze was, misschien al sinds jaren, aan onze bijenconsulenten bekend. Dat ze veelvuldig voorkwam, meen ik te mogen concludeeren uit de mededeeling van den Heer van Giersbeigen, die vooral in Noord-Brabant en Limburg de Nosema aantrof en wel in Februari, Maart en April, zeer plotseling optredend en weer verdwijnend, alsmede van den Heer Minderhoud, die mij schrref, dat hij in 70 monsters bijen 53 maal de parasiet vaststelde.
Zelf ben ik er voor 't eerst opmerkzaam op geworden in de Meimaand, toen ik van iemand een 13-tal bijen toegestuurd kreeg, waarvan 2 expl. met de sporen. Doch beter nog kwam ik er mee in kennis, toen ik in 't begin van Juni twee zwermen kocht van een houder van 47 stokken.
Toen ik ze den 2en dag observeerde en een paar stervende exemplaren vóór de kast opraapte en, aan Nosema denkend, de darmen bekeek, moest ik tot mijn verrassing vaststellen, dat ik een zeer verdachte bij in mijn hand had. Het typische verschijnsel bij vergevorderde Nosema, de witte darm, was aanwezig en bij microscopisch onderzoek vond ik inderdaad een matelooze hoeveelheid sporen van de parasiet. Beide volken waren ziek. Dat ik over mijn koop niet bijster tevreden was, laat zich denken.
Toen ik over de eerste schrik heenwas, begreep ik weldra, dat ik het als een goede bestiering had op te vatten, in de gelegenheid te zijn, rustig en gedurende langen tijd het verloop der ziekte te kunnen nagaan. De zwermen ontwikkelden zich goed, de eerste maal onderzocht, bleek van beide volken ongeveer de helft parasiet-dragend.
Vrij regelmatig nam het aantal af. Na verloop van 6 weken was er noch onder de bijen van de raat genomen, noch bij vlieggatbijen, noch bij haalsters, noch bij zwarte bijen, eenige draagsters meer te bekennen. Of ik hieruit besluiten mocht, dat de parasiet werkelijk verdreven was of dat hij zich in eenigen vorm nog schuil hield, zou de naaste toekomst leeren.
Eén goed ding kan ik er nu reeds van zeggen, n.l. dat de ijver onverzwakt was gebleken. Onverdeeld was mijn bewondering hiervoor echter niet. Ten tweede male n.l. hebben deze bijen mij toch verrast. Toen ik in het begin van September van mijn verlof weer bij ze kwam en de korven beurde, was ik even verstomd van het gewicht. Het product van hun ijver onderzoekend bleek het ..... een rose suikerstroop, wellicht in een of ander suikerzaakje gesnoept.
Nu waren deze volken zwermen en in Duitschland is men van meening, dat hierbij de ziekte vanzelf kan verdwijnen. Bij het bouwen heeft snellere slijtage der oudere bijen plaats en zoo zal de oude besmette generatie spoedig plaats maken voor een onbesmette nakomelingschap.
Nieuwsgierig of ze nog vrij van de parasiet zouden zijn, onderzocht ik haastig eenige haalsters. Terwijl ik ze een maand tevoren had verlaten in de verwachting dat het volk vrij zou blijven, most ik nu vaststellen, dat het ijdele hoop was geweest. Twee exemplaren waren nog positief. Dit was de 3e verrassing. (Tot den 20sten October, nadat ze wekelijks zijn onderzocht (telkens 8 à 10 bijen), is geen enkele zieke bij meer gevonden.)
Ik heb nog eenige toegezonden monsters onderzocht, waarvan er nog één positief was. Bovendien nog van twee standen alle volken.
De eerste omvatte 145 stokken, waarvan er 73 positief, 72 vrij waren. Van de 73 positieven waren er 33 zwak, 26 matig, 10 vrij sterk en 4 sterk besmet. Deze begrippen zijn zeer betrekkelijk, daar een paar zéér sterke besmette bijen een monster van 20—25 bijen bij het samenwerken gauw „sterk besmet" kan maken. Hoogstwaarschijnlijk waren deze volken besmet door toevoeging van aangekochte bijen.
Van een anderen imker kreeg ik 48 monsters, waarvan 40 positief. Het verloop, in verband met den invloed der ziekte, in het najaar verder na te gaan, leek me, gezien de slechte weersgesteldheid, niet raadzaam.
Als ik U zeg, dat beide imkers mij hebben geroepen, louter uit belangstelling om dus het onderzoek te bevorderen, laat het zich verstaan, dat wij bij uitgebreider en systematische controle wellicht tot dezelfde conclusie moeten komen als in andere landen, waar men weinig Nosemavrije streken kent. En wanneer ik nu in het kort zou willen samenvatten, hetgeen ik van de Nosemaziekte vertelde, dan herhaal ik:
1. De Nosemaziekte is een darmziekte, hoofdzakelijk voorkomend bij de werkbij.
2. De parasiet komt waarschijnlijk zeer uitgebreid voor, ook in ons land.
3. Hij kan aanwezig zijn, zonder dat er aan het volk iets is te bespeuren.
4. Ervaringen in het buitenland spreken van een goed- en een boosaardigen vorm.
5. Bij ons is waarschijnlijk slechts de goedaardigen vorm aanwezig.
6. Of dit verschil in karakter is gelegen in de parasiet zelf, of in omstandigheden van de zijde van het bijenlichaam, of in beide, is tot heden nog niet beslist. Wellicht kan ook het jaargetijde, in verband met de volkenontwikkeling zijn invloed op het verloop doen gelden.
7. Acht men bestrijding noodig, dan moeten de maatregelen, indachtig aan de wijze van verspreiding binnen de woning, doch evenzeer op de drinkplaatsen, in het kort, overal, waar uitwerpselen kunnen worden gedeponeerd of doode bijen kunnen vergaan, gericht zijn op wegneming van deze bronnen.
8. Maatregelen als in Oostenrijk en ook sinds Sept. j.l. in Italië te nemen, waar verplichte aangifte en afmaking wettelijk zijn voorgeschreven, schijnt ook volgens het oordeel van deskundigen in Duitschland, niet verdedigbaar.
9. Voor Nederland bestaat, voor zoover wij de zaak kunnen overzien, voorloopig geen reden om bestrijdingsmaatregelen te nemen. Daarentegen moet er ernstig gestreefd worden de ziekte nader te leeren
kennen, gegevens te verzamelen wat betreft haar verspreiding, alsmede eventueele schaden. Materiaal genoeg voorhanden, geld behoeft het niet te kosten, slechts de lust om aan te pakken.
(Slot volgt.)