Maandpraatje.
Juni.
Junimaand, Zomermaand, wordt zeer zeker door heel het menschdom met verlangen tegemoet gezien, want dan rekent men tenminste op dagen met heerlijk zonnig weer. Mei is wispelturig, kan koud en guur zijn en vooral voor den landman en daaronder niet te vergeten den imker, een geduchten streep door de rekening geven. Déze Meimaand behoorde ook al niet tot de zachte heerlijke Lentemaanden en al was het begin best en het eind niet slecht brr ....
In Wageningen hebben we examen Bijenteelt afgenomen, lekkertjes met onzen overjas aan, en dat was den laatsten dag van Mei. Neen, ook het weer is ons dit voorjaar niet al te gunstig geweest, al hebben de goed-overwinterde volken het over het algemeen niet slecht gedaan.
Juni is de maand van de vermeerdering van het aantal volken en in het laatst dezer maand wordt de grondslag gelegd voor de werksters op de heide.
Wie het eenigszins kan bolwerken, moet er voor zorgen, dat ongeveer half Juni het zwermen aan den kant is. Men heeft dan nog een weekje voor het bevruchten der jonge moeren en komt met goede sterke volken op de heide. Een en ander geldt niet voor die imkers, welke geen heidereis maken. Zij toch zullen het moeten hebben van de zomergewassen, Linde, Korenbloem, witte klaver en houden hunne volken tot na die dracht zoo sterk mogelijk, d.w.z. dat men het zwermen zoolang mogelijk ophoudt. Na dien tijd kan men, als men wil, vermeerderen.
Moeielijker wordt het voor den imker, welke én van de zomerdracht en van de herfstdracht wil genieten. Daarvoor is het zeer vroeg laten zwermen, of het in het geheel niet laten zwermen een gebiedende eisch.
Het zeer vroeg laten zwermen is echter in ons land met zijn wisselend en niet te berekenen klimaat vaak ondoenlijk, zoodat ons het laatste, dat is in het geheel niet zwermen overblijft. En dit is juist een moeielijk, bijna niet op te lossen probleem.
In ons Meipraatje gaven wij als de meest afdoende methodes aan, de volken „om te hangen" of een broedkamer onder te zetten en aldus geleidelijk het broednest naar onder te brengen om de moer een nieuw arbeidsveld te geven. Dit laatste berust op de methode van Kuntzsch, waarover wij binnenkort (als de plaatsruimte dit toelaat) eens hopen te berichten.
In ons Meipraatje hebben wij niet gesproken over het separeeren van volken, omdat de uitslag daarvan wel eens kan tegenvallen en vooral dan indien er géén dracht, of een buitengewoon goede dracht op volgt.
Zoo hoort men dan ook verschillend over deze methode oordeelen en vooral jong-imkers laten zich niet verleiden door de schoon klinkende zeer aannemelijke theorie. Heeft men een kast met voederinrichting in den bodem, of heeft men genoeg oordeel, om op een kiitiek moment in te grijpen, dan is het een andere zaak. Wie derhalve deze methode nog wenscht toe te passen, misschien om op de heide te komen met sterke volken met jonge moer, die vare niet op eigen kompas, doch roepe den hulp in van een ervaren collega.
Hoe vreemd het ook moge klinken, vele imkers hebben nog moeite met het scheppen van zwermen. Zitten de zwermen gemakkelijk bereikbaar aan een dunnen tak of twijg, dan gaat alles van een leien dakje, als men maar voldoende durf heeft om aan te pakken. Zoolang de bijen nog veilig geborgen zitten in den korf en men op een afstandje goed beschermd zijne bijen kan gadeslaan, dan is men vaak een heele Piet en worden zelfs vrienden en vriendinnen uitgenoodigd, welke vol bewondering vaak zijn, dat de imker zoo dicht bij zijne bijen durft komen, al bedraagt de afstand soms nog wel enkele meters.
Maar als de zwermen los komen, dan is vaak van al dien heldenmoed weinig meer te bespeuren. Vooral beginners weten zich dan geen raad en in sommige gevallen staat ook de ervaren bijenhouder verlegen. En tóch .....
Ik zal niet ontkennen, dat er soms moeielijke gevallen zijn bij het scheppen van zwermen, maar de gevallen, dat scheppen niet mogelijk blijkt, behooren tot de zeer groote uitzonderingen. In mijn jeugdjaren in de imkerij kende ik een imker, welke de zaak zeer serieus aanpakte. Zijn bibliotheek was rijk van lectuur voorzien, doch de arme man, had op de praktijk weinig kijk en wat het ergste was, hij durfde niet goed op eigen kompas te varen.
Zoo gebeurde het eens, dat een zwerm ging zitten in een hoogstam appelboom, juist daar, waar de stam eindigt en de gesteltakken beginnen, een vrij moeilijke plaats dus. Hij begaf zich binnenskamers (de imker n.l.) en vroeg zich af, wat schrijver zus en schrijver zoo van het geval zeide. Het ongeluk diende, dat beide schrijvers het niet volkomen met elkaar eens bleken te zijn. De een wilde n.l. de bijen hoogerop rooken en een ander schreef, gebruik nimmer rook bij het scheppen van Uwe zwermen. Boek nr. 3 werd er bij gehaald en de schrijver er van zweeg over dit geval in alle talen.
Ten einde raad werd een buurman gehaald en hem om inlichtingen gevraagd. Diens advies luidde: „laten zitten tot het avond is, dan zit hij hooger en wel aan een van de gesteltakken; ik zal je dan wel bij het scheppen helpen". Des avonds begaf men zich gewapend met korf en andere schepmiddelen naar de aanvliegplaats om tot de ontstellende ontdekking te komen, dat de zwerm zelf dit netelige geval had opgelost en met hebben en houden er van door getrokken was.
Wat leert ons deze geschiedenis? Stel U tevoren behoorlijk op de hoogte. Imkeren met het boek in den hand leidt tot mislukkigen. Loopt ge vast, vraagt dan een ervaren imker, welke zeer zeker bereid gevonden zal worden U te helpen.
Nu het scheppen zelf. Doe dit rustig en doelbewust. Wees niet bang, de bijtjes zijn tijdens het zwermen gewoonlijk als lammeren zoo zacht.
Zit de zwerm op een moeilijke plaats, zooals b.v. hiervoor bedeeld, neem dan een lepel (houten) en schep telkens eene hoeveelheid bijen in de schep-korf. Doe dit voorzichtig, opdat ge geen bijen kwetst en in geen geval de moer omkomt. Of neem een carbollap en houdt die onder den zwerm, opdat zij hoogerop trekken op een voor het scheppen gemakkelijke plaats. Gebruik nimmer rook bij het scheppen van zwermen; de jonge bijtjes en ook wel oude vallen daardoor gemakkelijk op den grond en zijn voor Uw zwerm verloren.
Ligt de zwerm op den grond, wat in sommige gevallen voorkomt, zet er dan een schepkorf overheen (een steen onderplaatsen) zoodanig, dat een rand van den korf den zwerm raakt. Meestal trekken dan de bijen vanzelf in den korf. Hebt ge weinig tijd, neem dan een bebladerden tak, leg die op den zwerm en als hij vol bijen zit schudt die dan in den korf en herhaal dit naar behoefte. Ziet ge de moer, grijp die dan bij het borststuk of vleugels, doe haar in een moerhuisje, steek haar vast in de schepkorf en zet dit over den zwerm heen.
Zit de zwerm in een dichten haag, tracht hem dan met een carbollap naar den bovenkant te doen loopen, waar ge van tevoren een schepkorf gezet hebt. Zit hij om een boomstam, veeg hem er dan niet af, dat geeft vaak steken en vele bijen vallen op den grond. Tracht hem met een lepel af te scheppen en doe het vooorzichtig! Zoomogelijk moer pakken en in de schepkorf brengen. Zit de zwerm aan een tak in een boompje, dat voor U veel waarde heeft en licht beschadigd kan worden door het scheppen (takken breken enz.) overweeg dan, of het afknippen van den tak waaraan de zwerm zit niet voordeeliger is, dan misschien de geheele boom of struik te beschadigen.
Hang de opgedoekte zwerm op een koele plaats tot des avonds en doe hem dan pas in zijne woning. Schep een nazwerm zoo spoedig mogelijk, vooral bij warm en zonnig weer en doek hem direct op, zonder te wachten op de nog rondvliegende bijen. Hang dien zwerm zoo koel mogelijk luchtig! en wacht liever tot den avond van den volgenden dag met huisvesten, dan dat ge riskeert, dit hij den volgenden dag wegvliegt. Voer nimmer een pas gehuisvesten zwerm dadelijk, doch wacht een dag of drie, tenzij de zwerm komt op uitgebouwden raat en ook dit is om een andere reden nog zeer riskant.
En tot slot, verzorg Uwe zwermen zoo goed mogelijk. Voer, indien het weer slecht, of er geen dracht is en leidt den bouw, waar dit noodig blijkt, ge bespaart U later heel wat last en ongenoegen.
JOH.A. JOUSTRA.