Merkwaardige ervaringen.
(Nadruk, mits met bronvermelding, geoorloofd.)
Een moer verliest het vermogen darreneieren te leggen.
Vrijwel algemeen is het bekend, dat, indien moeren ouder worden, zij een bepaalde voorkeur schijnen te bezitten voor het beleggen van darrenraat. Zoo zullen jonge moeren er niet zoo spoedig toe overgaan reeds hetzelfde jaar darrenraat met eitjes te vullen en ik herinner me nog een examenvraag, waarvan het antwoord moest luiden, dat men op volken met jonge moer den moerrooster kon weglaten, mits men darrenraat in de honingkamer bracht.
Wij weten maar al te goed, dat dit geen universeel middel is, om de jonge moer van de honingkamer verre te houden, maar het is een feit, dat jonge- en daarbij werkelijk krachtige moeren in het jaar harer geboorte weinig of geen darreneieren leggen, welke eieren volgens de theorie van Dzierzon onbevrucht zullen zijn.
Worden de moeren ouder, dan zullen zij met veel meer graagte de darrenraten opzoeken, ja, in het tweede jaar van haar geboorte is geen enkele groote cel in het broednest voor haar veilig. Hangt men in het vroege voorjaar, plm. half April, midden in het broednest zoo'n darrenraat, dan haast de moer zich deze vol eieren te leggen.
Slimme imkers maken van deze eigenschap gebruik, om den dag vóórdat zij de moer uit de woning willen vangen zoo'n darrenraat midden in het nest te hangen. Zij noemen zoo'n raat een „vangraat". Tien tegen één, dat den volgenden dag de moer op die raat is te vinden en men bespaart zich daardoor een soms hopeloos zoeken.
De neiging tot het beleggen der darrencellen wakkert aan met het ouder worden van de moer, ja, het is bekend, dat zeer oude moeren zelfs wel darrenbroedig kunnen worden. Men beschouwt dit zóó:
Bij de bevruchting wordt het zaadzakje van de moer gevuld met geslachtsvocht van den dar en de hoeveelheid zaad zou voldoende zijn, om een enorm aantal eitjes te bevruchten. Zijn deze eitjes gelegd, of m.a.w. is de hoeveelheid geslachtsvocht uitgeput, dan kan de moer, volgens Dzierzon's theorie geen eitjes meer bevruchten en legt zij uitsluitend onbevruchte eieren, waaruit, alweer volgens genoemde theorie, slechts darren kunnen ontstaan.
Wij zullen ons in dit artikel niet bezig houden met de kritiek, welke op Dzierzon's theorie is geleverd, vooral door een Ferd. Dickel uit Darmstadt, omdat zeer vele geleerden, na langdurig microscopisch onderzoek bewezen hebben, dat de theorie Dzierzon inderdaad onaanvechtbaar is. Tot zoover de geschiedenis.
Nu de merkwaardige ervaringen van mijn bijenvolk, dat alle theorieën ten spijt, een geheel ander beeld vertoont. Alvorens deze ervaringen te beschrijven, eerst iets over de gewoonlijk toegepaste bedrijfswijzen van bijna elk serieus imker.
Omdat men darren als een noodzakelijk kwaad beschouwt en omdat er slechts enkelen noodig zijn, om de op een stand geboren moeren te kunnen bevruchten, omdat verder de darren als larve en als volwassen insect een aardige hoeveelheid onderhouds- en opbouwvoedsel behoeven en ten slotte, omdat zij geen enkel dropje honing de woning binnenbrengen en dus als onnuttige vreters beschouwd worden, beperken de imkers zooveel als zij kunnen den darrenaanwas, daartoe o.m. in staat gesteld door het geven van kunstraten, waardoor het den bijen bijna onmogelijk wordt gemaakt darrencellen te bouwen.
Nadat de eerste zwerm afgevlogen of afgenomen is, koppen verreweg de meeste imkers de darren en al kunnen wij dit moeielijk beperking van het fokken van darren noemen, het aantal darren dat uitvliegt, is toch belangrijk minder. En dan heeft de sluwe mensen nog instrumentjes uitgevonden, om de darren van het vlieggat weg te vangen, een bewijs dus, dat men met man en macht tracht die onnuttige! (?) vreters zoo spoedig mogelijk van den stand te doen verdwijnen.
In de laatste jaren (o.a. brak ik op den eersten Imkersdag te Amsterdam een lans voor die diertjes) begint men wel iets anders over die darren te denken, maar een feit is het toch, dat zelfs vandaag nog de imkers de bijen liefhebben en de darren haten. Of men daar goed aan doet, is op het oogenblik niet aan de orde, maar ik heb deze inleiding noodig, om de merkwaardige ervaringen te vertellen.
Waar ik reeds eerder in de bijenbladen en in 1924 op den Imkersdag het nut van de darren bepleitte, spreekt het wel vanzelf, dat ik in door mij daarvoor geschikt geachte volken, soms fabelachtige hoeveelheden darren kweek om daardoor de kans te vergrooten, dat op mijn stand en in den omtrek darren van een superieure herkomst de overhand krijgen en de jonge moeren bevruchten.
Reeds lange jaren houd ik mij onledig met het kweeken van moeren van volken van een opvallende zachtheid en een goeden verzamelijver en zoo ben ik door selectie gekomen tot een stam, welke ik „Oestram" gedoopt heb. De stammoeder van mijn tegenwoordige volken nu, is geboren in 1926 en kreeg in 1927 gelegenheid tot het afzetten van darreneieren, zooals voordien waarschijnlijk nog geen moer de kans gekregen heeft. Zij huisde in een Thüringer kast, bevattende twaalf ramen elk groot 40 bij 25 c.M. Ik kan niet precies zeggen hoeveel darren zij in 1927 heeft voortgebracht, maar ik blijf met het getal 80.000 zeker nog beneden het werkelijke aantal. Voorwaar een respectabel aantal.
Nu wilde ik dit in 1928 herhalen met hetzelfde volk en daartoe hing ik op 15 April j.l. weer midden in het broednest een raam van de straks genoemde grootte. Dit raam was uitgerust met een streepje voorbouw, zoodat de bijen het darrenwerk moesten maken, omdat ik het liefst darren kweek in pasgebouwde, dus versche raten. Eenige dagen later inspecteerde ik het volk en ik nam waar, dat de bijen het raam keurig uitbouwden met grof werk. Het volk was flink ontwikkeld, zooals gewoonlijk en met de beste zegen-wenschen sloot ik de kast.
Half Mei echter zag ik nog geen darren vliegen en omdat ik dit wat vreemd vond en bovendien wederom een raat wilde inhangen, haalde ik het volk uit elkaar, om de darrenraat eens te inspecteeren, welke ik opnieuw belegd dacht te zien met eieren, daar immers het eerste broed uitgeloopen kon zijn. Zooals bekend is, heeft de kast warmbouw en zoo stiet ik al direct op ramen werkbijenbroed, dat eerst kort geleden was ingelegd, terwijl ik bovendien de moer zag loopen, druk bezig haar ambt te vervullen.
Eindelijk kwam de darrenraat in het zicht, maar wie schetst mijne verbazing, toen ik deze nog even maagdelijk aantrof, als voorheen. Ook maar geen spoor van een eitje of larfje te vinden. Ik besloot nu eens een nauwkeurige inspectie te houden en controleerde alle ramen. Daar de meesten aan den onderkant wel een vlakje darrenraat van het vorige jaar bezaten, meende ik dan toch daar wel darrenbroed te zullen vinden. Vergeefs! Neen tóch niet geheel. Weliswaar bevond zich in de darrencellen géén ei of larve, doch aan den bovenkant van enkele ramen zag ik werkbijcellen met verhoogde deksels, in de geheele kast slechts 5. Ik opende er een van en moest toen tot mijn verdere verwondering ontwaren dat er een kleine dar in zat met den stuit naar het deksel gekeerd.
Het behoeft geen betoog, dat ik slechts een enkele dar op de dik met bijen bezette raten aantrof, welke wellicht nog uit andere volken waren toegevlogen. Alles werd weer netjes op zijn plaats gehangen en het volk wat gevoerd, omdat ik toch zoo gaarne de darrenraten gevuld zag met eieren of broed, vooral nu er iets niet in den haak scheen te zijn.
Den tweeden Juni inspecteerde ik wederom het volk, om de darrenraat
behalve met hier en daar wat honing, bijna geheel met stuifmeel gevuld te zien. Geen spoor van eitjes of broed, wel natuurlijk in de andere ramen met werkbijcellen.

Daar het volk geweldig sterk begon te worden, besloot ik er een vlieger van te maken en behalve de raat met darrenwerk (welke gevuld was met stuifmeel) de woning uit te rusten met ledige raampjes. Ik nam daarvoor zgn. halfraampjes, omdat die gemakkelijker te inspecteeren en vlugger vol te bouwen zijn.
Behalve wat werbijcellen verwachtte ik veel darrenwerk en ik wilde nu eens zien, wat die moer nu verder zou doen. Dat zij een tegenzin had in net leggen van darreneieren stond bij mij vast; misschien had zij het vorige jaar zich wel beu gelegd aan die knaapjes en wilde nu wat dochters in de huishouding hebben. Feitelijk was mijn plan om de geheele kast met darrenwerk uit te rusten, maar dat had ik niet voldoende in verschen toestand voorradig. De raten werden keurig netjes uitgebouwd met werksterraat, op één raatje na, dat in het midden een streepje van plm. 5 c.M. breedte grof werk vertoonde.
De darrenraat met stuifmeel, welke ik geheel aan den voorkant gehangen had bleek het stuifmeel te missen. De geheele raat was ledig, op een vlakte na van een hand grootte ongeveer aan den onderkant, waar ik broed aantrof, dat zeer verspreid, althans onregelmatig ingelegd was. Ik meende verhoogde deksels te bespeuren en hing de raten weer in. Het moertje fopte me toch dacht ik.
Eenige dagen later, het was al 21 Juni, besloot ik toch nog eens een grondig onderzoek naar de identiteit van het broed in te stellen en nam daarom de darrenraat uit het volk. Ik trof nu meer verzegeld broed op de raat aan; de oppervlakte van de broedvlakte was echter niet grooter. Bij een vluchtig overzicht was duidelijk te zien, dat er slechts weinig verhoogde deksels te bespeuren waren. De meeste cellen waren plat verzegeld zooals bij werkbijcellen.

Ik opende eenige cellen, zoowel met als zonder verhoogde deksels en stelde vast, dat zich in de cellen met verhoogde deksels (het waren er maar enkele) prima darrennimfen bevonden. In de platgedekselde cellen zaten zonder uitzondering werkbijnimfen. De raat werd uitgenomen, ik nam er een foto van en het bebroede gedeelte werd geconserveerd door Dr. Winkel te Rotterdam en blijft dus bewaard. Daar inmiddels de halve raampjes keurig van werkbijenbroed voorzien en gedekseld waren, besloot ik toch wéér een darrenraat, welke inmiddels in een ander volk vrijgekomen was, in te hangen.
Deze raat bevatte aan den bovenkant een plm. 10 c.M. lange strook werkbijcellen over de geheele breedte van de raat. De raat bevatte oud werk van verleden jaar, werd door mij tot op het meer frisschere gedeelte afgesneden voor het aanzetten van darrenwerk en zoo in een ander volk gehangen, vandaar het gedeelte werkbijcellen en de rest darrenwerk. Deze raat nu bekwam mijn proefvolk. Bij eene inspectie eind Juni bleek het mij, dat de moer alleen de werkbijcellen belegd had en de darrencellen gelaten had voor wat ze waren.
Ik trof in het halve raampje, met de strook darrenwerk in het midden ook nog enkele verhoogde cellen aan (drie stuks); de werkbijcellen vertoonden zonder uitzondering weer prachtig gedekseld broed.

Intusschen kreeg ik de beschikking over eene voldoende hoeveelheid versch uitgebouwd darrenwerk en nu rustte ik een kleiner kastje (een z.g.n. opzet-kastje, dat voor korven wel gebruikt wordt) uit met uitsluitend darrenraat op 9 Juli j.l.
Op dit werk kwam de moer met een groote hoeveelheid jonge bijen. Natuurlijk moest dit volkje gevoederd worden, omdat het geen vliegbijen aanvankelijk had.
Op 12 Juli werd het volkje geïnspecteerd, doch de moer had nog geen enkel eitje gelegd. 14 Juli ontwaarde ik enkele verspreide eitjes in de cellen, waarvan ik er enkele aantrof tegen den wand der cel. Momenteel (23 Juli) heeft het volk eenige raten prachtig gedekseld broed, goed aangesloten ..... allen werkbijen (in de darrencellen dus).
Het was 9 Juli hoog tijd, dat ik de moer verhuisde naar een ander kastje, daar op dien datum het volk 2 gesloten- en een open moercel bezat. Aan de moer zelve is niets te bespeuren, alleen mist zij een gedeelte van een voorpoot, zooals ik later eerst bemerkte, doch welk gemis haar blijkbaar bij het leggen van eieren niet het minst hindert. Waaraan is het nu toe te schrijven, dat deze moer een geweldigen tegenzin heeft om darreneieren te leggen?
Haar voorgeschiedenis heeft doen zien, dat zij wel degelijk in staat, althans geweest is, om zulke eieren te leggen. Die eigenschap bezit zij thans maar in zeer geringe mate en alsof zij voelde, er is hier niets voor mij te doen, meed zij de darrencellen op een zeer opvallende manier.

De moer is, ondanks haar 2 jaren (zij legt nu 3 jaar) zeer vruchtbaar, zooals aan bijgaand broednest is te zien. Dit broednest geeft weer hetzelfde beeld te zien, n.l. wel werkbijcellen met broed, doch de stukjes grof werk, onaangetast.
Geheel op darrenraat gezet, belegt zij die wel, doch uitsluitend met z.g.n bevruchte eieren. Wij moeten wel aannemen, dat zij niet, of niet noemenswaard meer in staat is onbevruchte eitjes te leggen.
Maar dat is dan toch in strijd met alle gangbare theorieën. Immers, wij leerden en ervoeren, dat indien een moer oud wordt, zij darrenbroedig wordt, dus uitsluitend onbevruchte eieren legt.
Deze moer legt uitsluitend bevruchte eitjes (de enkele darreneieren kunnen gerust buiten beschouwing laten) De moer is dus werkbijenbroedig geworden.
Hoe kan dat? Is de z.g.n. spierdruk, welke zij kan uitoefenen nu een eeuwigdurende beweging geworden en kan zij die met den besten wil niet stoppen, zoodat alle eitjes bevrucht het lichaam verlaten?
Er is nog twijfel, hoe de Koningin naar willekeur bevruchte- of onbevruchte eieren kan leggen. Von Berlepsch meende, dat de koningin dit deed door bewust willen. Von Siebold schreef dit toe aan een reflexbeweging voortgebracht door aanraking met de nauwere celwand terwijl Ferd. Dickel alle eieren voor bevrucht hield en meende, dat door de werkbijen het speekselvocht, het geslacht van het ei wordt bepaald.
De meening van Von Siebold kunnen we gerust uitschakelen, omdat in de wijdere koninginnecel óók bevruchte eitjes gelegd worden. Heeft Von Berlepsch gelijk, dan zouden wij in bovenstaand geval een bewuste onwil van de koningin moeten zien, om darreneitjes te leggen. Temeer zouden wij daartoe dienen moeten te besluiten, omdat zij zelfs darrenraat meed, als haar dit mogelijk was.
Heeft Dickel gelijk, dan wordt de zaak nog veel ingewikkelder. Immers de moer vertikt het eieren af te zetten in darrenwerk en als zij niet anders kan, dan helpen haar de werkbijen door ze dusdanig van een bepaald soort speeksel te voorzien, dat het tóch werkbijen worden. De theorie Dickel wordt echter door nagenoeg alle geleerden overboord gegooid, omdat deze theorie niet wetenschappelijk bevestigd is kunnen worden. Wij staan derhalve in bovenstaand geval voor een raadsel en het is zeer zeker de moeite waard, om dit raadsel opgelost te krijgen.
Misschien zouden we tot een nadere oplossing komen, indien sectie op de betrokken moer gepleegd werd. Natuurlijk zou ik gaarne voor dat doel de moer afstaan, mits ik de zekerheid had, dat het raadsel inderdaad daardoor opgelost werd. Ik heb n.l. al eens minder pleizierige ervaringen opgedaan bij het ter onderzoek opzenden van moeren. Waar wij maar de beschikking hebben over slechts één proefexemplaar zou ik niet gaarne wederom de kans loopen, dat de moer voor onderzoek niet meer geschikt was, zooals al eens eerder gemeld is. Wij willen voor elk geval gaarne eene verklaring vinden en zoo heb ik zelve mij het hoofd gebroken met de vraag, wat de oorzaak kan zijn van bovenstaand geval.
Waar de moer, als zij oud is, dus veel werkbijeieren heeft afgezet, darrenbroedig wordt, heb ik mij afgevraagd, of er toch misschien in aanleg onderscheid is tusschen werkbijeneieren en darreneieren en of de moer misschien in staat is een gelimiteerde hoeveelheid werkbijeieren en een gelimiteerde hoeveelheid darreneieren af te zetten. In bovenstaand geval bedroeg het aantal afgezette darreneitjes zeker meer dan 80.000; werkbijeieren kan zij heel wat meer afzetten en daar zij daartoe zoo in de gelegenheid was, omdat ik haar preste, om veel darreneieren af te zetten heeft zij veel werkbijeieren in reserve gehouden. Naar mijne meening heeft zij absoluut het vermogen verloren om darreneieren voort te brengen.
Is dit inderdaad het geval hetgeen de toekomst zal moeten leeren, dan opent dit weer een nieuw terrein voor studie en proeven en ik zal het mij een eer rekenen, wanneer serieuse waarnemers eens proeven op dit gebied willen nemen, zooals ik zelf van plan ben de proeven voort te zetten. Daartoe geeft men een pas bevruchte moer volop gelegenheid darreneieren af te zetten; zooveel als maar eenigszins mogelijk is.
Blijkt het, dat na verloop van tijd de moer inderdaad werkbijenbroedig wordt, dan is dit eene aanleiding voor onze geleerden, om de oorzaken daarvan wetenschappelijk vast te leggen.
JOH.A. JOUSTRA.
NASCHRIFT.
Voor hen, welke zich voor een andere zijde van dit geval zullen interesseeren zij medegedeeld, dat intusschen het broed in de darrencellen aan het uitloopen is. De daaruit voortgekomen werkbijen zijn uiterlijk niet te onderscheiden van de werkbijen voortgekomen uit werkbijcellen, zooals ik met een insectenloupe kon vaststellen.
J.A. J.