Uit „Das Buch der Natur."
Dit werk, van Conrad von Megenberg, is in het Duitsch het oudste op het gebied der Natuurlijke Historie en dateert uit de veertiende eeuw.
Het bestaat uit acht deelen en geeft een uitstekend beeld van de kennis der natuurwetenschappen destijds. We laten hier een en ander volgen uit het deel, dat de bijen behandelt, overgenomen uit „Aus der Heimat" van Juli 1928.
Naar Aristoteles, Basilius de Groote en Ambrosius meedelen hebben de bijen, die den naam Apis dragen de eigenaardigheid een gemeenschap te vormen, zooals nergens anders op aarde bij levende wezens het geval is. Allen hebben dezelfde woning en aller arbeid strekt tot gezamenlijk nut. Wat ze door hun werk bereiken, behoort aan allen, zij vliegen ook samen uit. Het broed verplegen ze met zijn allen. Allen zijn gewoonlijk kuisch, geen der dieren paart noch voelt daartoe aandrang. Niettemin brengen ze meestal een grooten zwerm voort.
De bijen kiezen een der hunnen tot koning, aan wien het gansche volk gehoorzaamt. Ofschoon allen dus onderdanen zijn, is toch ieder vrij en elk individu heeft zijn beteekenis en ook zijn voorrechten, terwijl allen naar oprechte trouw streven. Ze hebben hun koning lief en zullen nooit iets tegen zijn wil doen en hem vertoornen. Dit is zeer begrijpelijk, want de koning geeft jegens zijn volk blijk van groote zachtmoedigheid. De bijen scharen zich steeds om hun aanvoerder. Ze beschadigen vruchten noch verdorde bloemen. Worden ze op hun tochten door de duisternis van den nacht verrast, dan begeven ze zich hoog in de boomen ter rust, opdat hun vleugels niet door dauw of regen bevochtigd worden.
De aanvoerder, de koning, die als vorst heerscht, is schoon van voorkomen, dubbel zoo groot als de andere bijen en bezit kortere vleugels en langere pooten. Hij draagt als onderscheidingsteeken een pluim op het voorhoofd. Men beweert, dat hij geen angel bezit zooals de andere bijen, die hij om zijn groote kracht ook niet noodig heeft om te verdedigen. Aristoteles zegt, dat hij wel een angel heeft, maar nooit steekt, daar zulks niet in zijn aard ligt.
Een bijenvolk is te onderscheiden in drie groepen: 1e. Moederbijen, die vlijtig werken, 2e. Bijen, die aan de moederbijen onderworpen zijn en niets doen zonder goedvinden van deze en alleen in opdracht, 3e. Darren, onvolkomen bijen zonder angel en dienaren der eerste twee groepen.
Zoolang de Koning jong is, volgen de bijen hem steeds, waarheen hij zich ook begeeft. Ze bouwen hun woning als een burcht en laten steeds de bovenste drie cellen ledig, om niemand, die hen zou kunnen schaden, aan te trekken; de andere cellen vullen ze met honing. 's Nachts slapen de bijen in hun korven tot bij 't opgaan der zon een van hen twee- of driemaal zoemt, zooals een wachter, die den dag aankondigt. Ze weten welk weer er komt, vliegen bij mooi weer uit om hun schatten te verzamelen, terwijl ze, als er regen of wind dreigt, binnen blijven.
Als ze aan 't werk zijn, verzamelen ze aan hun voeten stuifmeel, zoodat ze schijnbaar broekjes dragen. Anderen zamelen dauw in, die ze in hun mond of aan de haren meevoeren. Ambrosius zegt: De bijen zijn immer werkzaam; sommige zoeken voedselbronnen, andere bewaken hun woning, weer andere geven acht op het weer en de sterren. De jongen vliegen uit om was en honing te verzamelen, de ouden werken binnenshuis. De bijen, die veldbloemen bezoeken, beladen hun voorpooten tot de heupen en vliegen dan naar huis.
Ook in de woning zijn de werkzaamheden verdeeld, sommige bijen bouwen, andere houden daarop toezicht en brengen versieringen aan. Er zijn bijen, die den honing van het was scheiden en er zijn andere, die werk en voedsel verdeelen. Plinius merkt op, dat de bijen nauwkeurig nagaan of een der hunnen lui is, deze wordt direct voor straf dood gebeten. Ze zijn zeer zindelijk en betrachten ook in hun werk steeds de grootste reinheid. Alle uitwerpselen der werkende bijen worden op bepaalde plaatsen verzameld en als het weer niet geschikt is om gewoon te arbeiden, nam buiten gedragen.
Tegen den avond wordt hun gezoem zachter en zachter, tot een van hen
rondvliegt om evenals 's morgens te zoemen. Dat is het sein tot rust, en allen zwijgen onmiddellijk. Ze hebben de gewoonte eerst voor het volk en dan voor de Koningen woningen te bouwen. Willen ze zwermen, dan bouwen ze grootere gemeenschappelijke woningen en voor de aanstaande Koningen groote en ruime verblijven. Ze kiezen hem tot Koning, die groot en statig van bouw is en goedaardig. Men vertelt dat de bewoners van Perzië evenzoo te werk gaan bij hun Koningskeuze.
De bijen vliegen gewoonlijk niet eerder naar een voedselbron, of de Koning zelf moet uitgevlogen zijn om de leiding te nemen. Ze beschermen dezen, omringen hem met hun zorgen en rekenen het zich tot een eer om voor hem te sterven. Aristoteles zegt, dat de Bijenkoning nooit buiten den korf verschijnt zonder een talrijk volk om zich heen te hebben. Hij vliegt in het midden van zijn groot geleide en wanneer een der begeleiders des Konings vleugels raakt, wordt hij door de anderen bestraft. Alle bijen trachten in de nabijheid van den Koning te blijven en stellen het op hoogen prijs, daar opgemerkt te worden; wordt de Koning moe, dan dragen de sterkste bijen hem.
Plinius vertelt, dat de bijen bij gebrek aan honing in eigen korf naar een naastbijzijnde woning trekken, waar dan slag geleverd wordt, wat ook wel eens op de veldbloemen gebeurt en dien men kan doen eindigen door de dieren met stof te bestrooien of ze te berooken. Later kan men ze met melk of water weer verzoenen. Bedorven lucht staat hen tegen en ze verwijderen zich ver van plaatsen, waar deze voorkomt.
Basilius zegt, bijen en wespen hebben aan hun lichaam kleine openingen, ademen doen ze niet, longen komen bij hen niet voor. Ze nemen met hun geheele lichaam de lucht op en sterven, als men hun lijf met olie bestrijkt, daar dan deze openingen verstopt raken. Begiet men ze dadelijk daarna met azijn, dan openen de poriën zich en de dieren herleven.
Er is een vlindersoort, die zeer schadelijk voor de bijen kan worden. Deze zet zich op klaver- en andere bloemen neer, zuigt het zoete vocht daaruit en legt eieren, waaruit wormen ontstaan. Kikvorschen vangen de bijen als ze zich naar het water begeven; naar het heet ondervinden ze van bijensteken geen nadeelen. Wespen en horzels behooren tot de natuurlijke vijanden van de bijen; ook zwaluwen en andere vogels eten bijen.
Hun dooden beklagen ze en als de Koning sterft, huilt het gansche volk en verkeert in grooten rouw. Ze verzamelen zich rondom hun dooden Koning, geen der diertjes vliegt uit en als men ze niet te hulp komt, sterven ze van honger, zooals een natuuronderzoeker meedeelt. Bijen worden ziek als de bloemen koud zijn. Elke echo van mensch of dier in hun nabijheid schaadt hen, mist eveneens. Spinnen vangen de bijen in hunne netten en dooden ze.
Meester Michael van Schotland zei eens: De bijen gaan aan hun eigen gewin ten gronde; in vruchtbare jaren met veel bloemen en ruime dracht zijn ze zoo tuk op honinggewin, dat ze hun eigen jongen daarvoor vergeten. Bijen sterven als er te veel aanvoerders zijn en ieder een deel van het volk voor zich bestemt en meevoert. Ze hebben gaarne dat men in de handen klapt en op het geluid van metalen komen ze aangevlogen.
De bijen ontstaan in de lichamen van pas gestorven runderen, die met mest bedekt zijn. Ze ontstaan ook uit in den grond gegraven ossenhuiden. Uit ezelshuiden daarentegen komen wespen voort, uit vliegenmest wormen, uit mangelwortels kikvorschen, uit bedorven lucht en vuile stoffen vliegen. Virgilius zegt evenwel, dat de laatste zich uit het lichaam eener doode jonge koe ontwikkelen, wat ik zelf ook heb opgemerkt bij een dood kalf, dat in de zon lag. Uit doode paarden komen wespen en horzels, uit ezels geelroode vliegen, wat kleiner dan wespen. Opmerkelijk is, dat de bijen, uit runderen ontstaan, met elkaar paren evenals vliegen. Hun broed is echter in dit geval bijna gelijk aan dat der echte bijen.
Honing moet men oogsten bij volle maan en bij mooi helder weer. Dunne
honing is niet zoo goed als taaie, welriekende en doorschijnende. Die uit jonge raten is beter, die uit oude raten bruin. Goede honing moet goudgeel zijn. Hij is goed tegen ooglijden en bevordert de spijsvertering. Zuivere honing zit onder in den korf. Hij voorkomt bederf, zuivert, verzacht den smaak van verschillende kruiden en wordt veel aan geneesmiddelen toegevoegd. Honing in warm water geneest een zieke maag en kan in anderen vorm tegen koorts worden aangewend.
Aristoteles zegt, dat oudere bijen door hun grootere ervaring meer honing verzamelen dan jonge. Honing is goed tegen den beet van dolle honden en van wilde dieren. Laudomsche honing smaakt bitter en veroorzaakt razernij. Zweet de razende daarna, dan komt hij weer tot zijn verstand. Honing geneest een kwalijk riekenden adem.
De Bijenkoning voedt meer dan één zoon op en wanneer deze zonen volwassen zijn, komen alle bijen te samen en dooden de zwaksten om tweespalt en strijd te voorkomen. Bijen broeden hun jongen uit evenals de kippen. Jonge bijen zijn eerst wit, jonge Koningen hebben dadelijk een honingkleur, daar ze ontstaan uit uitgezochte bloemen en ruime voeding.
Een bijenvolk gelijkt op een bisdom, waar een Bisschop als hoofd verstandig en deugdzaam over de koorheeren regeert, die hem in alles gehoorzamen. De koorheeren, dat zijn de bijen, dulden maar één hoofd uit vrees dat hun maatschappij anders gevaar loopt. Daarom kiezen ze steeds den besten. Helaas, hoe weinig van zulke goede bijen komen in onzen tijd voor. Alle bijen zijn tot wespen en horzels geworden. Kome God met zijn ondoorgrondelijke barmhartigheid zijn zoo verdorven huis te hulp! Zij ons genadig goedertieren God!
J.A. D.