Proeven in andere landen.

I.

Wanneer wij met menschen spreken, die alleen maar van de bijen weten, dat zij steken en dat zij er bang voor zijn, doet het ons imkers telkens zoo vreemd aan en komt 't ons zoo onoegrijpelijk voor, dat velen niets of maar weinig weten van dat zoo zeer interessante leven der bijen. Als dezulken ons dan vragen: „maar gij, waarom houdt gij bijen, wat vindt ge er feitelijk aan en is dat bijenhouden dan zoo interressant", ja! dan moet 't ons imkers van het hart en dan worden wij welbespraakt, wij geraken in vuur en spreken dan zoo enthousiast, dat wij ook hen meesleepen en hun een blik geven in dat zoo wondere bijenleven.

Zeker is 't dan 10 tegen 1, dat zij ons zeggen, „maar dat had ik niet gedacht en ..... wat is dat mooi!" En doen wij dan nog een bijenkast open, ja maar dan stijgt hun verbazing ten top. Voor ons is dan het oogenblik gekomen het ijzer te smeden, hun aan te raden ook een volkje te nemen, of hun een potje honing te verkoopen. Wij werken in zulke momenten mede aan den groei onzer vereeniging, hetzij door leden te werven, hetzij door reclame te maken voor ons Nederlandsch product, wat ook meer indirect in het belang der Vereeniging is.

Ook voor de meer gevorderden en de reeds ervaren imkers blijft het bijenhouden een genot, zoowel om den honing, als om het mysterie van het bijenleven steeds dieper te leeren kennen. In dit verband verwijs ik vooral naar de vele proeven, die steeds worden genomen door vooraanstaande personen op bijenteeltgebied in ons land en daarbuiten.
Veel weten wij reeds van onze bijtjes af, maar de vele proeven, die overal genomen worden bewijzen wel, dat wij nog maar ten deele vermogen het diepere wezen der bijen te doorgronden.

Wij denken hierbij aan proeven, die genomen worden op 't gebied der bijenziekten, aan bevruchtingsproeven om de selectie zoo ver mogelijk te kunnen doorvoeren, aan zwermverhinderingsproeven, aan proeven, die in tegenstelling met vroeger zullen moeten uitmaken, of „het darrenkoppen" niet een verkeerde theorie is, maar dat zwermen, op stukjes kunstraat geplaatst, juist door 't aanzetten van meerdere darren tot grootere activiteit worden aangedreven en dit juist prima honingvolken worden en „last not least" aan proeven, dat een bevruchte moer maar een gelimiteerd aantal darreneieren zou kunnen leggen en daarna werkbijenbroedig zou worden en dit is slechts een greep uit de vele proeven, die zijn of worden genomen.

Jammer is 't, dat dergelijke proeven zoo moeielijk te nemen zijn, doordat zij te veel tijd en geld kosten en alleen te nemen zijn door vooraanstaanden op bijenteeltgebied, die ook bezwaarlijk hun bijenstanden daartoe kunnen leenen, want voor proeven nemen heeft men veel volken noodig.
In 't buitenland is men ons in dit opzicht verre vooruit. Daar heeft men o.a. Rijksfokstations voor rasverbetering, en moeten de bijen bij in- en verkoop en bij in- en uitvoer van rijkswege worden gekeurd, daar bestaan imkerscholen, kortom instellingen, die steeds de bijenteelt op hooger peil brengen en bij uitstek geschikt zijn tot proefnemingen.

Over een proef genomen door een Duitsche imkerschool in hoeverre het vervliegen of overvliegen van bijen van een kast op andere kasten, vooral gedurende den tijd, wanneer de bijenvolken op andere bijenweiden zijn opgesteld, van invloed kan zijn, op de verbreiding van bijenziekten en vooral op de sterkte der bijenvolken, hoop ik in een volgend nummer te vervolgen.
G. VELDKAMP.

II.

Waar uit ernstig genomen proefnemingen door een Duitsche imkerschool met verplaatste volken in koolzaadstreken is gebleken:
1e Dat het vervliegen of overvliegen van bijen van de eene kast op andere kasten op de sterkte van menig volk van grooten invloed kan zijn.
2e Dit vervliegen èn door genomen proefnemingen èn door deskundigen wordt beschouwd als een van de grootste factoren voor de verbreiding van bijenziekten.
3e En dat bij het vervliegen de kastkleur hierop van grooten invloed kan zijn, lijkt het mij goed toe, deze punten ook in ons blad eens nader toe te lichten, opdat ook wij hiermede ons voordeel kunnen doen en waar mogelijk een en ander eens kunnen toetsen aan de practijk of aan onze hierin reeds opgedane ervaringen.

Als bekend mogen wij veronderstellen, dat iedere bij haar eigen nestreuk heeft en onder gewone omstandigheden zal iedere bij, die voor het vlieggat van een andere kast komt, door de schildwachten van deze kast worden afgebeten, alleen de darren hebben bij iedere kast „vrij entree".
(Wordt vervolgd.)