Ons vorig Maandpraatje schijnt ingeslagen te zijn, want wij kregen van verschillende afdeelingen nieuwe leden opgegeven en óók kwamen oude leden, welke meenden dit jaar het maar eens zonder lidmaatschap te moeten doen, zich weer aanmelden.

Het vorige jaar bereikten we bijna 8000 leden; zullen we er dit jaar boven komen? We hopen van wel en gezien de stijging sinds enkele jaren, gelooven we het ook wel. Het Hoofdbestuur tracht verschillende zaken tot oplossing te brengen en zoo kunnen we thans weer zien, dat een krachtige poging gewaagd wordt om de Nederlandsche honing bij het publiek meer ingang te doen vinden. Daar zijn vooreerst de sluitzegels, welke gij zeker nu allen wel besteld. . . . .en gebruikt zult hebben. Zij toch wekken het publiek steeds op Nederlandsche honing te vragen. Straks komt het Rijksmerk en dan zullen deze zegels nog van oneindig grootere waarde blijken te zijn.

Nu maken we weliswaar reclame voor Nederlandschen honing, doch de kooper weet niet, of hij in den winkel wel Nederlandsen product krijgt.
Wanneer het Rijksmerk op de honing is aangebracht is de kooper zeker, dat hij onder dit merk koopende, Nederlandschen honing ontvangt.
Daarom wekken wij imkers, welke geregeld honing verkoopen op, om zich aan te sluiten bij het Nederlandsch honingcontrôlestation, waarvoor men terecht kan bij den secretaris Dr.Ir. A. Minderhoud te Wageningen. Men zal daarover binnenkort wel meer hooren.

Verder heeft het H.B. besloten tot de uitgifte van een receptenboekje door een bekend auteur op het gebied van de kookkunst. Ook dit receptenboekje kan buitengemeen bijdragen tot den verkoop van honing en wij raden honing-leveranciers aan, t.z.t. een aantal van deze boekjes te bestellen, welke zij aan hunne afnemers kunnen verstrekken.

Verder zal het H B. trachten om den groothandel in honing door afd. Handel te bevorderen en deze afdeeling meer nog dienstbaar te maken aan den honingafzet.
Wanneer men iets poogt, dan is men vooruit niet zeker van het resultaat en al deze maatregelen zijn dan ook slechts pogingen, om te komen tot een betere afzet van door imkers gewonnen honing. Wel is het zeker, dat hoe meer de leden medewerken, des te beter zal een en ander slagen.

Behalve honingafzet, is ook imkersscholing een van die zaken, elke krachtig ter hand genomen dient te worden. Zoo zal het b.v. noodzakelijk zijn, dat de Imkers geregeld op de hoogte worden gehouden met de beste wijzen van honingwinning en bewerking, verpakking en reclame en zoo wachten er nog vele zaken op uitvoering. Al onze Nederlandsche honing zal en moet voor loonende prijzen worden gesleten, doch de Nederlandsche Imker zal en moet, om het zoover te brengen zijn product behoorlijk dienen te bewerken, zindelijk, netjes, goed.
De tijden zijn voorbij, dat men in onoogelijke verpakking zijn waar het goede publiek kan verkoopen. De tijden zijn voorbij, dat het publiek niet weet hoe goedgewonnen en behandelde honing er uit moet zien De tijden zijn voorbij, dat men zonder reclame zijn waar aan den man kan brengen.

Als het getij verloopt, verzet men de bakens. Wij Nederlandsche imkers moeten de bakens verzetten; wij moeten met den tijd mede. Wil men niet mede, dan niet mopperen, niet minachtend de schouders ophalen voor al het nieuwe, niet jammeren, dat het vroeger anders was. Wij leven thans; deze tijden stellen andere eischen en wij moeten ons daarbij aanpassen. Dat zal des te beter gaan, als wij inzien, dat de tegenwoordige wijze van honingwinning en aanbieding zeer gunstig afsteekt tegen die van vroegere jaren. Wij wrijven thans ons de oogen uit en zeggen, hoe was het in de wereld mogelijk, dat wij niet eerder op dit idee zijn gekomen. Welnu, onze oogen zijn uitgewreven, wij hebben den slaap uit, thans aan den arbeid.
Zoo goed als thans overal onze bijenvolken gevraagd worden voor bestuiving der ooftbloesems, zoo goed zal er ook een tijd komen, dat het Nederlandsche publiek Nederlandsche honing gaat vragen. Aan U allen de eer dezen tijd zooveel mogelijk te bespoedigen.

JOH.A. JOUSTRA.