Wenken voor beginners.
Voor de langdurige koude en de stilstand daardoor in de natuur, zijn de volken in hunne ontwikkeling wat teruggebleven. Vliegdagen waren er maar weinig en stuifmeel was er nog niet óf er kon maar zeer weinig tot heden worden gehaald. Zaterdag 9 Mrt was het 14° C. in de schaduw, dus een mooie dag om de volken eens grondig te inspecteeren. Is dit tot heden nog niet gebeurd, dan moet dit nu zoo spoedig mogelijk geschieden.
Over de verschillende punten, die hierbij onze aandacht vragen nog het volgende:
1. Vooral in deze maand mag er geen voedselgebrek zijn. Raampjes met honing of suiker worden nu bij den tros tegen het broednest aan, dus meer onder het directe bereik der bijen gebracht. Er wordt zoo noodig, eenige malen 's avonds een flinke hoeveelheid warme suikeroplossing l op l gegeven. Om geen rooverij uit te lokken, wordt deze noodvoedering pas 's avonds na beëindiging der vlucht verstrekt en vóór de vlucht op den volgenden morgen weer begint, wordt het overschot weer uit de woningen verwijderd.
2. De volksterkte wordt goed opgenomen. Volken die te zwak door den winter gekomen zijn, ontneemt men hun moer en worden bij andere volken gevoegd of men vereenigt 2 zwakke volkjes tezamen tot één sterk. Volken die nog niet teveel verzwakt zijn, helpen wij later wel weer op dreef, door ze met gesloten broed uit andere volken te versterken.
3. Zien wij, dat de broedraten mooi aaneengesloten broed vertoonen, dan kan men wat de moer betreft gerust zijn. Bij een minderwaardige moer is het broed niet zoo aaneengesloten en meer over de raten verspreid. Treft men bultbroed aan, dit is broed met bolvormige verhoogde deksels, dan is de moer darrenbroedig geworden, want uit bultbroed komen darren.
In beide gevallen voegt men een andere moer toe, tenminste als het volk nog sterk genoeg is en nadat men de eigen moer heeft verwijderd.

Was het volk reeds lang moerloos en bevindt zich een eierleggende werkbij in het volk, dan treft men eveneens bultbroed aan. In de afzonderlijke werkbijcellen zien wij dan meerdere eitjes op den celbodem. De bijen worden dan afgeveegd en moeten zich elders inbedelen. (zie Febr.) We overtuigen ons verder in hoeveel raten broed aanwezig is, om het volk in zijne ontwikkeling beter te kunnen volgen.
4. Voor zoover dit nu nog noodig, maar vooral mogelijk is, met 't oog op het reeds aanwezige broed, brenge men nog de gewenschte verandering in den toestand der raten. Darrenraat of raten waarin grof werk voorkomt worden tegen werksterraten verwisseld, doch alleen wanneer deze raten geen broed bevatten. Men store het volk zoo weinig mogelijk en vooral zoo min mogelijk in 't broednest.
Beschimmelde raten worden vervangen of in de zon gedroogd, afgeborsteld en weer teruggeven. De overtollige raten, die niet voldoende door bijen worden bezet of van geen voer voorzien zijn, worden voorloopig verwijderd. Naar behoefte kan men ze later weer geleidelijk teruggeven, naar gelang het broednest zich uitbreidt.
Er moet nu een overschot aan bijen en niet aan ruimte voorhanden zijn. Zagen wij in Maart het volk in sterkte nog achteruit gaan, doordat er meer oudere afstierven dan er jonge bijen werden geboren, in April gaat het echter crescendo en neemt het volk weer in sterkte toe. In het laatst van April begin Mei zijn er weer voldoende jonge bijen in het volk aanwezig om was te kunnen uitzweeten en kan men dus weer kunstraten laten uitbouwen. Men hangt deze daartoe tusschen de het broednest afsluitende stuifmeelraat en de daarop volgende honingraat.
We houden de volken nog warm en zien toe op rooverij, vooral bij goed weer en slechte dracht. In deze maand moeten we den broedaanzet kunstmatig bevorderen, soms wordt hiermede reeds einde Maart begonnen. Dit is de zgn. speculatieve- of drijfvoedering. Men voert hiertoe gedurende eenige weken iederen avond een kleine portie suikeroplossing of 3x in de week een grootere portie, nog beter is stamphoning waarin stuifmeel voorkomt en wel l op 3 deelen water en op de manier zooals in 1 is aangegeven.
Omdat de koningin hierdoor nu meer gevoed zal worden, zal zij ook meer eieren afzetten dus het broed zal sterk in omvang toenemen. In de raampjes waarin weinig broed voorkomt maar nog veel honing of suiker aanwezig is, worden de verzegelde voorraadscellen ontzegeld, waardoor meerdere cellen voor de moer vrij komen om deze te beleggen. Zoo nu en dan worden zoo eens een paar raampjes behandeld. De drijfvoedering dient men zoo te regelen, dat hiervan alles in broed wordt omgezet, de bijen mogen dit voer dus niet opleggen. Drijf Uw volken zoo aan, dat zij sterk genoeg zijn als de hoofddracht in Uw streek begint. Uiterlijk 35 dagen voor de hoofddracht begint, moeten de eieren daartoe reeds gelegd zijn, waaruit het leger van drachtbijen zal worden geboren.
Voor deze maand dus „doelbewust werken en broedaanzet bevorderen".
G. VELDKAMP.