Microscopisch onderzoek betreffende de in honing
voorkomende stuifmeelkorrels.


door DR. H.W. DE BOER.

(deel I)


Het microscopisch onderzoek van de in honing voorkomende stuifmeelkorrels is van voldoende belang, om aan dat onderwerp de aandacht te schenken. In de eerste plaats kan een dergelijk onderzoek ons leeren, van welke drachtplanten de honing afkomstig is en of we bijv. te doen hebben met voorjaarshoning, zomerhoning of herfst (heide) honing; in de tweede plaats kunnen we uit de soort der drachtplanten veelal met voldoende zekerheid afleiden of een bepaalde honing Nederlandsche dan wel buitenlandsche honing is; dit laatste is o. m. met het oog op een eventueel Rijkshoningmerk van veel belang.

Om dit onderzoek met succes te kunnen verrichten, is het echter noodig, dat de onderzoeker voldoende bekend is met:
1. de vormen der korrels van de in aanmerking komende stuifmeelsoorten.
2. de flora van Nederland en van de honingproduceerende andere landen, om uit de combinatie van de in een bepaalde honing voorkomende stuifmeelsoorten een conclusie te kunnen trekken. Het onderzoek van een 400 à 500-tal stuifmeelsoorten is hiervoor noodig.
Om voldoende resultaten te krijgen moet eene bepaalde werkwijze worden gevolgd, in verband met den aard van het onderzoek.

De te determineeren stuifmeelkorrels komen n.l. voor in honing. Om deze stuifmeelkorrels daaruit te kunnen afscheiden, moet de honing verdund worden; daarna kan de verdunde honing óf worden gecentrifugeerd óf men kan door het laten staan van de honing-oplossing de korrels vrijwillig laten bezinken. Aangezien het sedimenteeren in eene centrifuge de vlugste methode is, is deze laatste werkwijze door mij gevolgd.
De honing wordt verdund met 2 gewichtsdeelen water op l gewichtsdeel honing; 10 c.M. hiervan worden gecentrifugeerd in een zoogen. Tromsdorffsch-buisje; het sediment wordt microscopisch bestudeerd; om duurzame preparaten te maken kan men 1% formaline toevoegen voor het centrifugeeren en het preparaat onder een rond dekglaasje zorgvuldig insluiten met asphaltlak, waardoor bederf en verdamping van water worden voorkomen en men in staat is de eens gemaakte preparaten gedurende zeer langen tijd te bewaren.

Ook het vergelijkende studiemateriaal, dus het stuifmeel, door den onderzoeker verzameld van bekende pollen leverende drachtplanten, moet op dezelfde wijze worden behandeld. Het is verkeerd om deze stuifmeelkorrels voor vergelijkend onderzoek te bestudeeren in eene andere vloeistof dan in verdunde honing, omdat stuifmeelkorrels bestudeerd in lucht (droog), of bestudeerd in water, of in glycerine, of in canada-balsem, of in welke andere omgevende stof dan ook, door inkrimpring of uitzetting een anderen vorm aannemen onder het microscoop, dan de stuifmeelkorrels in den honing. Door mij is dus de volgende methode gevolgd. Eene hoeveelheid honing wordt door verdunning met water, zorgvuldige filtratie en indamping bij lage temperatuur tot het oorspronkelijke gewicht, stuifmeelvrij gemaakt. Deze stuifmeelvrije honing wordt verdeeld over een groot aantal reageerbuizen, welke ieder 10 à 20 c.M. hiervan ontvangen.

De te bestudeeren stuifmeelsoorten, verzameld van bepaalde stuifmeelgevende drachtplanten, worden nu met deze stuifmeelvrije honing gemengd; deze reageerbuisjes kan men goed gesloten en geëtiketteerd desgewenscht jarenlang bewaren; voor het onderzoek van het stuifmeel wordt 3 gram honing uit het buisje genomen, gemengd met 6 gram water, gecentrifugeerd en op de boven omschreven wijze microscopisch onderzocht.

We moeten thans onze lezers even inlichten over de vorm, de afmeting en de bouw van stuifmeelkorrels in het algemeen. De wand van een stuifmeelkorrel bestaat uit 2 dunne laagjes, waarvan alleen de buitenste laag voor ons van belang is; deze buitenste wand wordt excine genoemd. Deze excine kan bepaalde teekeningen vertoonen, soms is ze glad, soms ruw, door het voorkomen van kleine oneffenheden of puntjes, soms bezet met stekels, dan weer voorzien van een teekening, bestaande uit een netwerk van ronde gaatjes of van veelhoekige maasjes. Verder heeft de wand (excine) van een stuifmeelkorrel meestal openingen, waardoor de stuifmeelbuis naar buiten kan groeien. Deze openingen bestaan uit min of meer scherp begrensde ronde of ovale gaatjes, óf het zijn spleten, die over de geheele lengte (of over een deel daarvan) van de korrel loopen. Het aantal openingen is verschillend, n.l één, drie, vier, vijf of meer. Sommige korrels hebben geen opening, althans geen voor ons zichtbare opening.

De inhoud van de stuifmeelkorrels is ook weer verschillend; soms is deze doorschijnend of glazig, dan weer fijnkorrelig of grofkorrelig en ondoorzichtig; sommige stuifmeelkorrels bevatten in rijpen, volwassen toestand fijne zetmeelkorreltjes, die onder het microscoop chemisch aantoonbaar zijn; deze kleuren zich n.l. blauw of zwartblauw met eene jodium-oplossing; andere stuifmeelkorrels bevatten nooit zetmeel. De grootte der pollenkorrels is ook zeer verschillend; de afmeting wordt gemeten en uitgedrukt in duizendste gedeelten van een millimeter; één duizendste gedeelte van een millimeter wordt micron genoemd (meervoud: micra); het zou mij te ver voeren om in dit artikel uiteen te zetten, hoe deze meting geschiedt.
Het moge voor den lezer voldoende zijn, te weten, dat sommige korrels bijv. minder dan 10 micra groot zijn en andere meer dan 100 micra.

Het beste en volledigste onderzoek van stuifmeelkorrels in honing is tot dusver verricht door den Heer K. Fehlmann, die in zijn desbetreffend werk; „Beitrage zur mikroskopische Untersuchung des Honings", een overzicht geeft van de in Zwitserschen honing voorkomende stuifmeelsoorten.

Het ligt in mijne bedoeling in deze en de volgende artikelen een gelijksoortig en zoo mogelijk meer uitgebreid overzicht te geven van de vormen der stuifmeelkorrels van in Nederland groeiende drachtplanten, die uit den aard der zaak in vele opzichten verschillen van de Zwitsersche flora. De determineertabel, die de Heer K. Fehlmann geeft, is dan ook voor de Nederlandsche flora gedeeltelijk onbruikbaar. Het samenstellen van een op de pollen leverende Nederlandsche drachtplanten betrekking hebbende determineertabel is de aanleidende drijfveer van dit onderzoek geweest.

No. 1. Crocus, Crocus vernus All. en Crocus luteus Lmk.
Pollen rond; inhoud geelbruin, bevat geen zetmeel, wand dik, lichtgeel en doorschijnend; grootte tot 130 micra; exine bezet met puntjes; geen duidelijke openingen.

No. 2. Sneeuwklokje, Galanthus nivalis L.
Pollen boon- tot niervormig; inhoud heel licht gekorreld; bevat geen zetmeel; (lengte tot 27 micra, breedte tot 19 micra); exine glad; één duidelijke lengtespleet aanwezig.

No. 3. Kerstroos, Helleboris niger L.
Pollen roodachtig met lichte neiging tot driehoek; inhoud geel, niet gekorreld, bevat geen zetmeel; grootte tot 35 micra; exine vertoont eene onduidelijke netvormige teekening van veelhoekige mazen; drie spleten aanwezig.

No. 4. Iep (olm), Ulmus species.
Pollen onregelmatig rondachtig; inhoud grofkorrelig; zetmeel in de meeste pollen aanwezig; grootte tot 30 micra; wand zonder teekening; geen duidelijke openingen aanwezig.

No. 5. Wilg, Salix species.
Pollen rond tot ovaal; inhoud niet korrelig, bevat geen zetmeel; grootte tot 24 micra; exine vertoont een onduidelijk net van kleine, ronde tot ovale maasjes; drie duidelijke spleten aanwezig.

No. 6. Els, Alnus species.
Pollen in den vorm van een vier- of vijfkantige afgeplatte kegel of zuil; inhoud onregelmatige stukken en korrels; zetmeel in de meeste pollen als fijn gruis aanwezig; grootte tot 25 micra; vier of vijf openingen met verdikten rand aanwezig.

No. 7. Hazelaar, Corylus Avellana L.
Pollen rond tot driehoekig; inhoud soms fijn korrelig, zetmeel waarschijnlijk aanwezig, doch niet zeer duidelijk; grootte tot 28 micra; exine glad; op elke der drie hoeken een duidelijke opening met verdikten rand aanwezig.

No. 8. Bloedroode dopheide, Erica carnea L.
Pollen samengesteld uit drie cellen; inhoud helder, niet korrelig; zetmeel afwezig; grootte tot 33 micra; exine glad; op elke cel een duidelijke spleet aanwezig.

No. 9. Leverbloempje, Anemone hepatica L.
Pollen meest rondachtig; inhoud niet korrelig; zetmeel afwezig; grootte tot 35 micra; exine gestippeld met fijne puntjes; drie spleten aanwezig.

No. 10. Sneeuwroem, Chionodoxa Luciliae Boiss.
Pollen langwerpig, boon- tot niervormig; inhoud niet gekorreld; zetmeel afwezig; lengte tot 40 micra, breedte tot 25 micra; exine met een fijn netwerk van ronde tot ovale maasjes.; een lengtespleet aanwezig.

No. 11. Klein hoefblad, Tussilaga farfara L.
. . . . . Groot hoefblad, Petasites officinalis Mnch.

Pollen van beide planten gelijk, n.l. rond; inhoud niet duidelijk gekorreld, zetmeel aanwezig in vele pollen; grootte tot 27 micra; exine met talrijke korte stekels; openingen meerdere (4 tot 7), met duidelijk verdikten rand.

No. 12. Taxus of venijnboom, Taxus baccata L.
Pollen onregelmatig rond met dikke kleurlooze wand, die min of meer opzwelt, inhoud gelijkend op een onregelmatige kristal, zetmeel afwezig; grootte tot 30 micra; exine zeer licht gekorreld; openingen niet aanwezig.

No. 13. Perzik, Prunus Persica Zucc.
. . . . . Abrikoos, Prunus Armeniaca L.

Pollen van beide planten gelijk, n.l. rond tot lichtelijk driehoekig; inhoud korrelig, zetmeel waarschijnlijk aanwezig, doch niet zeer duidelijk; exine glad; grootte tot 40 micra; drie onduidelijke spleten aanwezig.

No. 14. Winteraconiet, Eranthus hiëmalis Salisb.
Pollen rond; inhoud niet korrelig, zetmeel afwezig; exine zeer onduidelijk en fijn gekorreld; grootte tot 35 micra; drie spleten aanwezig.

(Wordt vervolgd.)

Dr. H.W. de BOER