Het toezicht op de verkoop en de samenstelling van den honing
in Nederland gedurende 1927.

(deel IV)

Wat is het toch jammer dat meerdere honinghandelaars ter wille van het uiterlijk, het vloeibaar blijven van den honing, deze zoo hoog verhitten, dat de voedingswaarde daaronder lijdt. En niet alleen lijdt de voedingswaarde, ook gaat door het langdurig en hoog verhitten meestal een deel van het aroma, van de heerlijke honinggeur, verloren. Het verkoopen van verhitte honing is dus nadeelig voor de bevordering van den honingverkoop in het algemeen.

Ten slotte kunnen we uit de verslagen van de Keuringsdiensten van Waren nog lezen, dat van een 6tal monsters het extractgehalte te laag was, d.w.z. dat het vochtgehalte van die monsters te hoog werd bevonden. Het extract-gehalte moet minstens 75% zijn, m.a.w. het watergehalte van den honing mag hoogstens 25% zijn. Wanneer de honing onrijp, te vroeg, d.w.z. grootendeels nog onverzegeld wordt geslingerd, is er kans dat het watergehalte hooger wordt bevonden dan 25%. Ook trekt honing (pers- of slinger) welke in open of onvoldoende gesloten potten of vaten wordt bewaard, vooral bij vochtig weer of in een vochtige ruimte (bijv. een kelder) bijna altijd vocht aan, waardoor oorspronkelijk deugdelijke honing te veel water kan gaan bevatten en daardoor ondeugdelijk worden.

Ook bleek een enkel monster der onderzochte honing veel vuil te bevatten en verkeerden enkele partijen in gisting. Beide gebreken worden veroorzaakt door onvoldoende zindelijkheid bij de honingwinning. Pershoning waarin veel vuil wordt gevonden, zal al heel slordig en onzindelijk bereid zijn. Ook gisting in pershoning wordt bevorderd door onzindelijkheid. Hoe zindelijker de honing gewonnen wordt (en daaronder verstaan we o.a. het slingeren, eventueel persen, in een zindelijke, luchtige, stofvrije ruimte en met behulp van zorgvuldig gereinigde gereedschappen) hoe langer het product kan worden bewaard, zonder in gisting over te gaan.

We hebben uit de verslagen van de Keuringsdiensten gezien, waar deze diensten op letten en wat er zooal aan de in 1927 bemonsterde honing mankeerde.
Laten we ons hieraan spiegelen; een schip op strand is een baken in zee; laten we zorgen dat de honing door de Nederlandsche iemkers in den handel gebracht in alle opzichten voldoet aan de eischen, aan een volwaardig deugdelijk product te stellen.

Dr. H.W. DE BOER.