Met groot verlangen zag ik altijd uit naar een of meer mooie dagen in 't laatst van Februari of begin Maart, om mijn bijen eens grondig te inspecteeren. Geeft begin Februari al eens een vliegdag, och dan bekruipt je de lust wel om eens hier en daar een korf uit de stal te nemen en even zien of ze veel of weinig hebben ingeteerd, doch dat mag wel iets zeggen, toch ook weer niet veel, omdat verschillende factoren mee kunnen helpen dat ze veel of weinig hebben ingeteerd.

De mooiste dag of dagen — want die had ik noodig omdat ik een mooie partij volken had — waren, als na de groote reinigingsvlucht nog eenige warme dagen met veel zonneschijn volgden. Wat kan men genieten op die dagen, vooral als men dan bespeurt dat der bijen toekomstbeeld voor het komende jaar zich reeds afspiegelt als een blij, hoopvol jaar, want dat van mijn volken en mij liepen samen, een goed of slecht honingjaar was ook voor mij van groote beteekenis.

Ik zei wat kan men genieten op die dagen. En zeer terecht. Want is het geen genot als eenige maanden van scheiding men de korven weer omkeert en zij ons dan weer blij-gonzend tegemoet trekken van uit hun winternest, om de oude liefdesbanden weer aan te knoopen? Is het dan niet of ook zij de helpende hand van hunnen verzorger gemist hebben en blij zijn elkaar weer te ontmoeten?

Om nu een beschrijving te geven van de werkzaamheden bij zoo'n eerste inspectie, waar men veel op moet letten, enz. acht ik niet meer noodig, dat is al meermalen in dit maandblad door bekwamer mannen dan ik medegedeeld. Goed schoonmaken, slechte raten wegnemen — doch niet meer dan noodig was — letten op voedervoorraad, sterkte der bijen en broedaanzet, och dat was al zoo alles wat ik er aan deed. Wel hield ik eenige aanteekeningen en dan verdeelde ik mijn volken in drie groepen n.l.
1. goede sterkbevolkte korven met: a. voldoende voorraad, of, b. onvoldoende voorraad.
2. minder sterkbevolkte korven met: a. voldoende voorraad, of, b. onvoldoende voorraad.
3. zwak bevolkte korven met: a. voldoende voorraad, of, b. onvoldoende voorraad.

Zooals u dadelijk zult bemerken is de behandeling van deze groepen lang niet dezelfde nu en later niet.
la. laten we met rust doch 1b. geven we een flinke voorraad voedsel, vooral ook omdat we rekening moeten houden met Maart, want „Maart kan nog duchtig haar staart roeren" en ons beletten ze iets te geven.
2a, laten we ook voorioopig met rust doch deze en 2b. — die we eerst iets toevoeren — moeten later door flink voeren geholpen worden, het zoogenaamde drijfvoeren.
Aan 3a. en b. stoor ik mij voorloopig niet veel.

Meermalen is mij gevraagd hoe met de zeer zwakke volken te handelen. Ja, daar is den eersten tijd weinig aan te doen. De vraag hoe krijg ik van mijn zeer zwakke volken sterke, is niet zoo gemakkelijk te beantwoorden dan „hoe krijgt men een mager paard vet". Het is trots veel en gedurig voederen een onmogelijkheid, ook al is de koningin goed, groote broedaanzet te bevorderen, want de getalsterkte om veel broed warm te houden is onvoldoende, daar moet de natuur bij helpen. Maar als dan de warme dagen komen dan kan met onze hulp (n.l. 't geven van flinke portie's honing of suikerwater) en die van het zomerzonnetje, van deze zwakke volken nog veel terecht komen.

Mijn beste resultaten had ik altijd met het omkorven, n.l. de volken van 1b. ruilen met die van 3a. en b. Dat omjagen kost wat tijd en moeite, doch dat krijgt men ruimschoots vergoed. Voor ik met het omjagen begon gaf ik ze eerst wat lauw suikerwater daarna een kwartiertje kloppen, een paar zachte stootjes en gewoonlijk zijn dan niet veel bijen meer aanwezig. Zijn de bijen met de koningin uit de korven verwijderd, dan verwissel ik de volken in de warm gehouden korven. De volken passen zich in hun nieuwe woningen wonderbest aan, ja 't is of ze met nieuwen lust en ijver alles inrichten zooals zij dat verkiezen. 't Laatst van Maart of begin April — veel hangt van 't weer af — vond ik altijd de geschiktste tijd.

Als de lezers dit maanblad ontvangen, is het April, de maand waarin de broedaanzet grooter wordt. Men zorge nu dat ze vooral geen gebrek lijden. In Maart en vooral in April sterven er veel oude bijen. Ze gaan uit om van de eerste voorjaarbloemen nectar of stuifmeel te verzamelen, doch velen keeren helaas niet terug.
Men behoeft zich daarom niet te verschrikken, als men bespeurt dat de volken zwakker worden. Plotseling ziet men dat soms, vooral na een tijd van slecht weer, waardoor ze gedwongen werden thuis te blijven. Dat heeft hun leeftijd iets verlengd.

We willen dit artikeltje besluiten, doch nogmaals ernstig waarschuwen, vergeet en verwaarloos uwe bijen nooit, doch in deze maand vooral opgepast.

IMMENVAÊR.