
Microscopisch onderzoek betreffende de in honing voorkomende
stuifmeelkorrels.
door DR. H.W. DE BOER.
(deel II)
In de beschrijving van de pollen der in Maart bloeiende stuifmeelgevende gewassen, opgenomen in het Aprilnummer van dit tijdschrift komt een enkele onnauwkeurigheid voor, welke we even moeten herstellen.
1°. De pollen der bloedroode dopheide (Erica carnea) bestaat niet uit 3 cellen, doch uit 4 cellen, zooals trouwens in de teekening is aangegeven; in vele gevallen zijn echter door de eigenaardige stand, welke de korrel aanneemt, maar 3 cellen te zien.
2°. In de pollen van groot en klein hoefblad (Tussilago, Farfara en Petasites officinalis) zitten niet meerdere openingen (4 tot 7) doch 3.
3°. De exine van de pollen van perzik en abrikoos (Prunus, Persica en Armeniaca) is niet glad, doch licht gestreept.
Met de beschrijving en teekening van stuifmeelkorrels moet men betrekkelijk voorzichtig zijn; nemen we als voorbeeld een korrel met drie spleten, waarbij we de beide plaatsen waar de spleten elkaar naderen, de polen van de korrel kunnen noemen. Een dergelijke korrel welke op zij ligt en ons één of twee spleten in de volle lengte doet zien, ziet er geheel anders uit, dan eenzelfde korrel, welke op een zijner polen staat of ligt en waarvan we alle drie spleten als een opening of scheurtje in de wand waarnemen.
Het bestudeeren met een binoculair microscoop, waardoor we met beide oogen zien evenals door een stereoscoop en waardoor we diepteteekeningen in het te onderzoeken materiaal krijgen, is in dezen van veel waarde.
Er zijn, zooals in het vorige artikel reeds is medegedeeld, korrels met spleten en korrels met meer rondachtige openingen; we zullen echter ook kennis maken met korrels voorzien van een spleet, in welke spleet echter ongeveer in het midden bovendien een opening voorkomt. Verder zijn er korrels met spleten in de exine, bij welke echter in de intine, d.i. de binnenste laag van de wand, welke op de plaats waar de exine een spleet vormt, doorloopt, eene ronde opening voorkomt. Heeft nu de exinespleet dunne wanden, dan ziet men die spleet zoo goed als niet en kan terzelfder tijd de meer ronde opening in de intine, die soms een verdikte rand heeft, duidelijk op den voorgrond treden. In dat geval is het practisch te zeggen, dat de korrel ronde openingen heeft en is het beter de bijna onzichtbare spleet in de exine te verzwijgen; dit is bijv. het geval met de pollenkorrels van groot- en klein hoefblad (zie teekening no 11 in het Aprilnummer van dit tijdschrift).
We zullen in den loop der volgende maanden zien, dat soms geheele plantenfamilies precies dezelfde stuifmeelkorrels hebben; dan weer is tusschen de pollen afkomstig van planten van verschillende geslachten in dezelfde familie een duidelijk onderscheid te constateeren. Soms merken we, dat planten uit geheel verschillende families dezelfde stuifmeelkorrels bezitten, dan weer kunnen we van een bepaalde stuifmeelkorrel met zekerheid zeggen, dat deze afkomstig is van één bepaalde plant, omdat deze bepaalde plant er een speciaal gebouwde korrel op na houdt, die we nergens anders aantreffen (althans niet bij de stuifmeelgevende bijenplanten).

Beschrijving van 12 soorten pollen, afkomstig van de
in April bloeiende planten, (zie teekening)
No. 1. Paardenbloem, Taraxacum, officinale Weber.
Pollen rond, bezet met kleine stekeltjes; de inhoud bevat geen zetmeel, grootte verschillend, n.l. van 35 tot 50 micra; de exine vertoont breede, onregelmatig verloopende, lijsten; drie ronde openingen aanwezig.
No. 2. Prunus soorten, als: Vogelkers, Prunus Padus L.
. . . . Sleedoorn, Prunus spinosa L.
. . . . Kers, Prunus avium L en Pr. Cerasus L.
. . . . Pruim, Prunus domestica L.
Van al deze Prunus soorten is de pollen in hoofdzaak op dezelfde wijze gebouwd; alleen is er soms een klein verschil in de kleur en in de afmeting. Pollen op zij liggend rondachtig tot langwerpig; op de pool liggend rondachtig tot driehoekig, grootte 30 tot 50 micra; een deel der korrels bevat bij bijna alle Prunussoorten zetmeel; exine lichtelijk gestreept; drie spleten aanwezig, welke spleten zich bij de op de pool liggende driehoekige korrels steeds bevinden aan de hoeken van de driehoek.
No. 3. Boschanemoon, Anemone nemerosa L.
. . . . Dotterbloem, Caltha palustris L.
Pollen van deze en van meerdere planten uit dezelfde familie (ranunculaceeën of boterbloemachtigen) aan elkaar gelijk.
Pollen op zij liggend rondachtig tot langwerpig; op de pool staand rondachtig; zetmeel meestal in sommige korrels aanwezig; grootte 30 à 40 micra; exine duidelijk gekorreld; 3 spleten aanwezig.
No. 4. Pirus soorten, als Appel, Pirus Malus L.
Peer, Pirus Communis L.
Pollen op de kant liggend rondachtig tot langwerpig; op de pool liggend rond tot driehoekig; zetmeel meestal afwezig, grootte 30 à 40 micra, exine zeer licht gekorreld, 3 spleten aanwezig.
De pollen van Pirus japonica (Japansche Pirus) welke plant eigenlijk Cydonia japonica heet, heeft dezelfde vorm en de excine is ook gekorreld, maar deze korreling is duidelijk lijnvormig.
No. 5. Koolzaad, Brassia oleracea L.
. . . . Raapzaad, Brassia Rapa L.
. . . . Randjesbloem, Arabis alpina L.
. . . . Muurbloem, Cheiranthus Cheiri L.
Pollen van deze en van vele tot dezelfde familie (crusiferen) behoorende planten gelijk, n.l. op de kant liggend rond tot licht ovaal, op de pool liggend rond met lichte neiging tot driehoeksvorm; zetmeel meestal afwezig, grootte 20 à 25 micra, exine bedekt met een netwerk van onregelmatig ronde tot veelhoekige maasjes; 3 spleten aanwezig.
No. 6. Aalbes, Ribes nigrum L. en Ribes rubrum L.
. . . . Kruisbes, Ribes grossularia L.
. . . . Ribes, Ribes sanguineum Pursh.
Pollen van deze planten in hoofdzaak gelijk; rond, 20 à 30 micra groot, in de korrels van aalbes meestal geen zetmeel, in die van kruisbes en ribes meestal wel zetmeel aanwezig (althans in een zeker percentage daarvan); exine zonder duidelijke teekening, opening rondachtig, aantal 5, 6 of 7.
No. 7. Berk, Betula-soorten.
Pollen zeer veel gelijkend op die van de hazelaar, doch soms iets kleiner n.l. ongeveer 20 à 25 micra; vorm rondachtig, ovaal tot licht driehoekig, exine zonder duidelijke teekening, zetmeel in bijna alle korrels aanwezig; openingen 3.
No. 8. Narcis, Narcissus L.
Pollen boon- tot niervormig, lengte tot 55 micra; zetmeel afwezig, vele korrels zijn zonder inhoud, dus loos; deze loze korrels zwellen niet op en hebben een anderen vorm dan de korrels met inhoud, welke wel opzwellen in de honingoplossing; exine gekorreld; één spleetvormige opening aanwezig.
No. 9. Tulp, Tulipa Trn.
De looze korrels zonder inhoud zijn geheel anders van vorm, dan de gezwollen korrels met inhoud; deze laatste zijn rondachtig, tot 70 micra groot; de inhoud is duidelijk in twee gedeelten verdeeld, n.l. een min of meer concentrisch gedeelte en een daarvan door een onregelmatige spleet gescheiden omringend gedeelte; zetmeel slechts in enkele korrels aanwezig; de wand is dik en gezwollen; de excine is bij de ongezwollen korrels onregelmatig geschubd, bij de gezwollen korrels is dit minder duidelijk te zien; openingen bij de gezwollen korrels niet waar te nemen.
No. 10. Sleutelbloem, Primula L.
De pollen van de korte en de lange meeldraden zijn gelijk van vorm, die van de lange meeldraden zijn soms iets grooter; afmeting 15 tot 30 micra; vorm van de op de kant liggende korrels rond tot iets ovaal, van de op de pool liggende rond, soms iets zeshoekig; zetmeel afwezig; exine zonder duidelijke teekening; aantal spleten meestal 6.
No. 11. Hyacint, Hyacinthus orientalis L.
Pollen boon- tot niervormig, lengte tot 50 micra; inhoud bevat geen zetmeel; exine bezet met kleine onregelmatig ronde tot veelhoekige gaatjes; één spleetvormige opening aanwezig.
No. 12. Eschdoorn, Acer L.
De pollen van eschdoorn soorten gelijken zeer veel op die van de Prunus-soorten; grootte tot 40 micra; vorm der op de kant liggende korrels ovaal, van de op de pool liggende korrels rond tot licht driehoekig; zetmeel afwezig; exine duidelijk gestreept met onregelmatig golvende lijnen; drie spleten sanwezig.
(Wordt vervolgd)
Dr. H.W. de BOER