Wenken voor beginners


Over de omhangmethode nog het volgende: Een week nadat we hebben omgehangen worden dus alle eventueel aangezette moer- of redcellen in den bovenbak uitgebroken, want dit gedeelte van het volk wil zich, daar boven den rooster, nog wel eens moerloos gevoelen.
Nog twee weken later, of 3 weken na het omhangen, is de bovenbak broedschoon en kan men opnieuw omhangen. Wanneer het weer en de dracht medewerken voorkomt men dus het zwermen, want de moer heeft in den onderbak weer een groot arbeidsveld gekregen. Er is onder bovendien gelegenheid tot het uitbouwen van kunstraten, zoodat ook de bouwdrift kan worden bevredigd.
Heeft men pas omgehangen, dan zal een groot gedeelte van het volk zich in den eersten tijd nog boven den rooster ophouden om daar het broed te verzorgen en te verwarmen. Spoedig is daar echter al het broed verzegeld, bovendien loopen er dagelijks vele jonge bijen uit, waardoor in den bovenbak steeds meer bijen vrijkomen voor de arbeid onder den rooster, waar het aantal bijen dus weer geleidelijk zal toenemen.

Wanneer de bovenbak na 3 weken broedschoon is, wordt deze afgenomen en de honingramen, die zich hierin bevinden, kunnen nu worden geslingerd. Men verwijdert daartoe den moerrooster en veegt de bijen, die zich op deze ramen ophouden, bij het volk in den onderbak. Ook wanneer het de moeite maar eenigszins loont, wordt de bovenbak geslingerd, want „binnen is binnen"!

De afgenomen bovenbak wordt nu weer voor het omhangen in orde gebracht. In het midden hiervan laten wij een plaats vrij voor een raam met open broed, omgeven door een mooien honinggordel, waarop de moer wordt geplaatst. Ter weerskanten van deze open ruimte komen eenige uitgebouwde of uitgeslingerde ramen, verder vullen wij dezen bak met kunstraten aan.
Nu wordt uit den onderbak het bedoelde broedraam gezocht. Hierop bevinden zich vele jonge voedsterbijen. Wij zoeken vervolgens nog uit dezen bak de moer en plaatsen haar, voorzichtig bij het borststuk nemend, op het raam met open broed en hangen dit raam met bijen en moer in den daarvoor gereed gemaakten bovenbak. De broedramen in den onderbak worden weer aaneengeschoven en met bak en al opgenomen, om nu als bovenbak te dienen. De gereedgemaakte bovenbak met moer enz. wordt nu weer onderbak, de moerrooster wordt hierop gelegd en de broedramen met bijen komen dus weer boven den rooster en na 7 dagen opnieuw redcellen uitbreken.
Treft men na het omhangen slecht weer, dan vormt zich onder slechts een klein broednestje en bevindt zich na 3 weken meestal in den bovenbak te weinig honing om te slingeren. Het volk wordt dan, zoodra het weer wat gunstiger is, zonder slingeren terug gehangen.

Het voordeel van het omhangen bestaat dus hierin, dat men het zwermen voorkomt of afleidt tot na een hoofddracht. Dat men honingramen broedvrij kan slingeren en de ratenbouw van een volk geleidelijk wordt vernieuwd. Men hangt om bij gunstig weer en intredende dracht, wanneer een volk op vlieghoogte is, of drie weken voor een hoofddracht en steeds drie weken, nadat reeds omgehangen is.
Mocht bij slecht weer toch zwermdrift zijn opgetreden, zoo gaat men separeer en, zoodra de moercellen belegd zijn. Wij maken dan een kunstzwerm of vlieger in een broedbak, zooals in het Juninummer is aangegeven en geven dezen vlieger bovendien nog een honingraam mede. Deze vlieger komt dus onder te staan op de plaats van het moedervolk. Op den vlieger wordt de separator geplaatst en hierop komt het moedervolk. Voor de verdere behandeling van dezen vlieger en het moedervolk kan men alles in het Juninummer terugvinden en over de vereeniging dezer volken een volgend maal meer.
Wordt de gemaakte vlieger zeer sterk en is een hoofddracht aanstaande, dan kan het noodig zijn hierop reeds direct een moerrooster te leggen, waarop een honingkamer komt en hierop de separator, waarboven het moedervolk wordt geplaatst.

Voor de opgezette zwermen in Mei of Juni, wordt gezorgd, dat zij zich flink kunnen ontwikkelen, zij worden van kunstraat voorzien en bij weinig dracht of slecht weer worden ze gevoerd op de manier, zooals in het April-nummer bij de drijfvoedering is bescnreven. De zwermen worden dan sterk en de kunstraten mooi uitgebouwd. Van voorzwermen, die zich te sterk ontwikkelen ontnemen wij zoo nu en dan een raampje met gesloten of uitloopend broed (zonder bijen), waarvoor men kunstraten teruggeeft, opdat zij niet tot zwermen zullen overgaan. Met dit broed worden onze zwakkere nazwermen versterkt.
Bij alle opgezette zwermen is ons streven daarop gericht, dat zij half Juli volop van broed en eitjes zijn voorzien, wij hebben dan met de heide een leger van drachtbijen.

Op volken welke men niet omhangt legt men de moerrooster, waarop een honingkamer met uitgebouwde ramen komt en heeft men deze niet, dan kunstraten. Wil een volk de honingkamer niet in gebruik nemen, dan hangt men eenige dagen een broedraam van onder naar boven met bijen erop, doch zonder moer en met weglating van den moerrooster. Gaat het volk nu in de honingkamer aan het werk, dan wordt het broedraam meer naar onder gebracht en de rooster opnieuw gelegd.

Over het honingoogsten tot slot als volgt: Allereerst oogst uw honing rijp en zindelijk en verwerkt hem verder zóó, dat hij jarenlang goed kan blijven. De honing is rijp in de cellen, wanneer ± 2/3 deel der cellen is verzegeld of indien dit niet het geval is, de honing niet uit de cellen druipt, zoodra men het raam schuin voorover laat hellen.
Van den rijpen honing worden de cellen ontzegeld met een in heet water steeds warm gehouden ontzegelvork of mes. De aan beide kanten ontzegelde ramen worden nu zóó in den slinger geplaatst, dat deze gelijk bezwaard wordt. Zware ramen met veel honing erin slingert men niet gelijk met lichte, doch eerst de zware en daarna de lichtere ramen of omgekeerd. Dit voor het behoud uwer raten opdat zij niet breken. Bovendien worden de ramen steeds zóó in den slinger gelegd, dat de honinggordel, dus het zwaardere deel op den bodem der binnenbak rust. Indien de afmeting der ramen dit veroorlooft.
In een matig tempo slingert men eerst beide kanten der raten gedeeltelijk uit en daarna in een steeds vlugger wordend tempo de beide kanten opnieuw en zoolang, tot er geen honing meer uitkomt. Den meesten honing verkrijgt men uit de ramen, wanneer zij zoo uit de kasten genomen, direct worden ontzegeld en geslingerd en niet eerst zijn afgekoeld en als men bij warm weer of in een warme kamer werkt.

Uit de kraan onder in den slinger begint nu de honing te vloeien. Wij laten dezen door een fijne haarzeef loopen, welke boven een emmer past, waarin de honing terecht komt. Eenige malen wordt de zeef in heet water schoongemaakt en zorgt men, dat onderwijl geen ongezeefden honing in den emmer kan toevloeien. De aldus gezeefde honing wordt in een verwarmde of warme stofvrije kamer gezet en zoo nu en dan worden van boven de onreinheden als: wasschubjes, stuifmeelkorrels en het zich vertoonende schuim enz. afgeschept en de honing daarna omgeroerd. Zoodra de honing volkomen zuiver is, wordt hij in flacons gedaan of in goed afsluitende tonnen of roestvrije bussen of glazen potten enz. opgeborgen.
Wordt de honing niet luchtdicht afgesloten, dan trekt hij water aan en kan gaan gisten. Slinger nimmer honing uit ramen met open broed en zorgt voor een keurige verpakking van uw waar.

G. VELDKAMP.