
Microscopisch onderzoek betreffende de in honing voorkomende
stuifmeelkorrels.
door DR. H.W. DE BOER.
(deel IV)
Het aantal drachtplanten, dat in Juni, Juli en Augustus stuifmeel levert, is zoo groot, dat niet alle soorten in dit maandschrift kunnen worden besproken. Als regel zal elke maand van een twaalftal verschillende soorten eene beschrijving en eene teekening worden gegeven. Ons doel wordt dan voldoende bereikt, n.l. om den lezer eene voorstelling te geven van den rijkdom der vormen van de stuifmeelsoorten, waardoor het begrijpelijk wordt, dat de verschillende honingsoorten microscopisch van elkaar te onderscheiden zijn.
Iedere lezer zal thans kunnen inzien, dat het mogelijk is, om met zekerheid vele buitenlandsche honingsoorten te herkennen, omdat de drachtplanten, waarvan deze honing geheel of gedeeltelijk afkomstig is en dus ook het stuifmeel wat in dien honing voorkomt, van anderen aard zijn dan de drachtplanten, welke in ons land honing en stuifmeel geven. Aan allerlei bijkomstige omstandigheden kan men zelfs dikwijls van dezelfde honingsoort, bijv. van boekweithoning of klaverhoning, uitmaken, of het b.v. Canadeesche of Noord Amerikaansche of Inlandsche is. De Canadeesche boekweithoning bevat natuurlijk dezelfde boekweit-stuifmeelkorrels als de Nederlandsche boekweithoning. De planten echter, die in Nederland, we zullen maar zeggen, naast de boekweitvelden bloeien en waar terzelfder tijd ook honing en stuifmeel op gehaald wordt, zijn van geheel anderen aard dan die, welke naast de boekweitvelden in Canada voorkomen.
Noord Amerikaansche klaverhoning bevat dikwijls niets dan stuifmeelkorrels afkomstig van de klaver, omdat de onafzienbare klavervelden den bijen geen gelegenheid geven op andere planten stuifmeel te halen. In ons land echter worden naast de klaver bijna altijd andere planten bevlogen en komen steeds andere bekende stuifmeelkorrels in de klaverhoning voor. Het ontbreken van andere stuifmeelkorrels in klaverhoning kan dus in dit geval eene aanwijzing zijn voor de buitenlandsche oorsprong.

Beschrijving van de Pollen van 12 soorten in Juni bloeiende gewassen (zie teekening).
1. Liguster, Ligustrum Ibota e.a. soorten.
Pollen rond tot ovaal; structuur van den inhoud door den dikken wand niet te zien; bevat zetmeel; grootte 30 à 35 micra; exine voorzien van een grofmazige netvormige teekening; drie spleten aanwezig.
2. Korenbloem, blauwbloem, Centaurea Cyanus L.
Pollen langwerpig ovaal; structuur van den inhoud door den dikken wand niet te zien; zetmeel afwezig; grootte ongeveer 40 micra; exine met vele kleine onregelmatige tot ronde gaatjes, die niet tot aan den buitenkant doorloopen, vooral in het midden niet, waar de wand tusschen de openingen het dikste is; drie spleten aanwezig die in het midden een ronde opening hebben.
3. Engelsch gras, Armeria vulgaris L.
Pollen rondachtig tot driehoekig; structuur van den inhoud niet te zien door den dikken wand; zetmeel aanwezig; grootte 60 à 70 micra; exine voorzien van een fraai netwerk van aan elkaar gerijgde korrelvormige verdikkingen; drie spleetvormige openingen aanwezig.
4. Acacia, Robinia Pseud Acacia L.
Pollen rondachtig tot licht driehoekig; inhoud fijn korrelig; geen zetmeel aanwezig; grootte tot 30 micra; exine zeer licht gestippeld; drie ongeveer ronde openingen aanwezig.
5. Jasmijn, Philadelphus L.
Pollen rond tot ovaal; inhoud bijna structuurloos, zetmeel afwezig; grootte tot 20 micra; exine licht gestippeld; drie spleten aanwezig.
6. Zevenblad, Aegopodium podagraria L. (en andere schermbloemigen)
Pollen langwerpig, langgerekt, soms iets zandloopervormig; inhoud fijnkorrelig; zetmeel afwezig; grootte tot 40 micra; exine bijna glad; drie lengtespleten aanwezig.
7. Bereklauw, Heracleum spondylium L. en H. giganteun Hort.
Pollen ovaal; langwerpig; inhoud licht gekorreld, zetmeel afwezig; grootte 40 à 45 micra; exine bedekt met wratvormige of korte staafvormige verdike kingen; drie spleten aanwezig.
8. Tym, Thymus Serpyllum L.
Pollen rond; structuur van den inhoud niet te zien; zetmeel aanwezig; grootte 30 à 35 micra; exine sterk gekorreld of gestippeld; zes spleetvormige openingen aanwezig.
9. Gele morgenster, Tragopogon pratensis.
Pollen rond; structuur van den inhoud niet te zien door den dikken wand; zetmeel afwezig; grootte tot 40 micra; exine bedekt met onregelmatig loopende lijsten, die bezet zijn met stekeltjes; drie nagenoeg ronde openingen aanwezig.
10. Witte Klaver, Trifolium repens L.
Pollen ovaal tot licht driehoekig; inhoud fijn korrelig, zetmeel afwezig; grootte ongeveer 25 micra; exine heel licht met kleine onregelmatige wratjes of stippeltjes bedekt; drie niet scherp begrensde spleetvormige openingen aanwezig.
11. Paardekastanje, Aesculus Hippocastanum L.
Pollen ovaal, iets langwerpig; inhoud bijna structuurloos, zetmeel sporadisch aanwezig; grootte tot 25 micra; exine glad tot zeer licht gekorreld; drie spleten aanwezig, die ronde openingen in het midden dragen; deze openingen en hare omgeving zijn van korte spitse puntjes (korte stekeltjes) voorzien.
12. Linde, Tilia L.
Pollen rond tot licht driehoekig; inhoud fijn korrelig tot structuurloos; zetmeel sporadisch aanwezig; grootte tot 35 micra; exine gestippeld; drie openingen aanwezig, die eenigszins spleetvormig zijn.
(Wordt vervolgd).