Het vervliegen der bijen.

De noodzaak, zich van dit feit ernstig rekenschap te geven, zal niet alleen erkend worden om redenen van bijenteeltkundigen aard. Evenzeer uit een oogpunt van verspreiding van ziekten is kennis van dit verschijnsel van groot belang.
De Heer G. Veldkamp besprak de kwestie in het Nov. en Dec. N° van den jaargang 1928 reeds zoodanig, dat een herhaling overbodig mag worden geacht, als niet in de eerste plaats het voortdurend dreigend Nosémagevaar mij noopt op alle mogelijke gevaarbronnen te wijzen, terwijl een uitgebreid onderzoek in Beieren door Rauschmayer anderzijds nog talrijke interessante gegegevens aan het licht heeft gebracht.

Dit onderzoek gaat over het vervliegen der bijen en hoe zij door middel van kleuronderscheiding haar woning terugvinden.
Rauschmayer wijst er op hoe reeds uit de vermenging van verschillend gekleurde rassen, uit het vervliegen der koninginnen, het veelvuldig voorkomen van dit verschijnsel werd opgemaakt. En de imkers weten van dit vervliegen, want vele maken door kenteekeningen de woningen onderling herkenbaar.

Toch heeft men den omvang van het vervliegen steeds zeer onvoldoende gekend en dat hebben de talrijke onderzoekingen der laatste jaren dan ook voldoende bewezen.
Bij de meeste onderzoekers ging het echter niet om, het euvel van het vervliegen te leeren kennen, doch om te ontdekken op welke wijze de bij hare woning terugvindt. Of dit gebeurde door het gezichtsvermogen, dus of het de kleuren en/of de vormen waren, waardoor zij de omgeving en eigen vlieggat herkenden, of dat er een bepaald richtingszintuig bestond.
Zoo hebben nu de verschillende onderzoekingen over het vervliegen aan de kennis van het z.g. oriënteeringsvermogen nieuwe gegevens verschaft.

Ik kan hier niet op de studie ingaan, alleen wijzen op het feit, dat voor deze onderzoekingen meerdere duizenden bijen geteekend werden en dus beschikt werd over een groot materiaal, hetgeen de waarde der gevolgtrekkingen natuurlijk vrijwel onaantastbaar maakt. Slechts één tabel, die zeer sprekend is, neem ik over (zie tabel). De proeven zelf zijn overigens van zoo buitengewoon veel belang, practisch en theoretisch, dat ik hoop dat de Heer Veldkamp ook hier nog eens uitvoerig mededeeling mag doen.
Overigens slechts op de conclusies, die ik in verband met de ziekteverspreiding van het hoogste belang acht.

1. Drachtbijen vervliegen zich op een stand, die weinig zichtbare herkenningsteekenen biedt, in een buitengewoon groot aantal (tot 50 %) en tot op verscheidene M. afstand.
2. Op een afstand, die voldoende onderscheidingskenmerken biedt, vervliegen zich slechts enkele bijen.
3. Komt dezelfde frontkleur op een stand meermaals voor, dan vervliegen ze zich in gelijkkleurige woningen ook over groote afstanden.
4. Hoeken van den stand, palen, verschillend hoog gelegen vlieggaten vergemakkelijken blijkbaar oriënteering.
5. Jonge bijen vervliegen zich bij haar oriënteeringsvluchten op de eerste vier dagen van haar uitvluchten zeer dikwijls, ook daar, waar doelmatige front-kleuren zijn aangebracht en drachtbijen zeker haar vlieggat terugvinden.

En uit deze gevolgstrekking wil ik deze les voor ons imkers trekken.
1. Laat straks op de heide de woningen door kleur goed van elkaar te onderscheiden zijn (plaatjes van 1 - 2 d.M.2 boven, beter onder vlieggat in gele, blauwe en witte kleur).
2. Zet de volken op een behoorlijke afstand (eenige meters) van die der vrienden.

Dr. A.J. WINKEL.