
Wenken voor beginners.
Volgens afspraak willen wij eerst nog even terugkomen op de reeds in het Julinummer aangehaalde separatiemethode en nader toelichten het vereenigen van den vlieger onder den separator, met het moedervolk daarboven.
Is het separeeren toegepast b.v. kort vóór de lindedracht, dan kan zoo'n vlieger onder den separator bij goede dracht nog aardig wat linde-slingerhoning inbrengen. Vooral zal dit zoo zijn, indien de vlieger sterk wordt, wat mogelijk is als b v. vóór het separeeren het volk vele broedramen of 2 broedkamers op elkaar bezette of met succes eenige keeren kon worden omgehangen, dus eerst de omhangmethode aan het separeeren was voorafgegaan.
Zoo'n sterken vlieger geeft men vaak direct een moerrooster waarop een honingkamer komt.
Hij kan juist daardoor zooveel honing inbrengen, omdat er nog geen of weinig broed te verzorgen valt en bij deze vliegbijen bijna alles op het verzamelen gericht is.
Na de lindedracht heeft men dan, als de jonge moer boven den separator bevrucht en aan den leg is, twee broednesten, één boven en één beneden den separator. Wanneer het volk boven gedekseld broed bevat, kan men deze 2 volken weer tot één volk vereenigen, om van de heidedracht zooveel mogelijk te profiteeren. Immers één zeer sterk volk is dan voordeeliger dan 2 zwakke volken, vooral als men heideraathoning wil winnen.
Om te vereenigen gaat men als volgt te werk: het bovenste volk wordt met den separator afgenomen en uit het onderste volk wordt de oude moer opgezocht en verwijderd en zonder dit volk af te dekken met een kleedje, wordt er direct de separator opgelegd met weglating van het plankje uit den separator en hierop komt weer het bovenste volk. De beide volken krijgen dan éénzelfden nestreuk, maar zijn nog gescheiden door den gaasbodem van den separator.
Een dag later wordt ook de separator verwijderd en staan de broedkamers dus op elkaar.
Is de vlieger behalve van een broedkamer ook nog van een honingkamer voorzien geweest, zoo komt deze als derde étage op 4e beide broedkamers. Na nog een paar dagen worden de broedkamers verwisseld. De boven-broedkamer komt nu onder met de jonge bevruchte moer. Hierop komt een moerrooster en hierboven de oorspronkelijke benedenbak. De bijen, die eerst boven den separator de woning moesten ingaan, zullen spoedig wennen aan hun nieuwe aanvliegplaats onder. De vereeniging voltrekt zich verder vanzelf. Boven den rooster loopt het broed geleidelijk uit en wordt de honing verder verzegeld. Het is ons misschien nog mogelijk vóór den aanvang van de heidedracht de bovenste broedkamer boven den rooster geheel of gedeeltelijk broedvrij te slingeren en eventueel ook de honingkamer (van den vlieger).
De ledige uitgeslingerde ramen worden dan vóór het gewin op de heide weer boven den moerrooster gehangen voor het oogsten van heideslingerhoning.
Door de gevolgde werkwijze zijn wij in staat, om aan de vraag van onze klanten naar persé linde- of persé heideslingerhoning te kunnen voldoen, want sommige honingverbruikers geven aan een of andere soort een besliste voorkeur.
Wenscht men raathoning, dan geeft men in de honingkamer in het midden één uitgebouwd raam als klimraam en verder ramen met strookjes voorbouw van kunstraat of uitgebouwde raat van ± 1½ c.M. breedte. Is er goede dracht en is het volk zeer sterk, dan pas is het ons mogelijk raathoning te winnen. Bij minder sterke volken geve men liever uitgebouwde ramen.
De kans op slingerhoning, maar vooral op raathoning, in de honingkamer is grooter naarmate de raammaat hierin kleiner is. Bij minder sterke volken kan het goed zijn de broedruimte vóór het gewin te verkleinen en eventueel ook de honingkamerruimte. De kans wordt hierdoor grooter, dat het volk spoediger de honingkamer in gebruik gaat nemen. Ook wordt dit doel wel eens bereikt met tijdelijke overbrenging van een broedraam uit de broedkamer in de honingruimte (zie Juli).
Om sterke volken te hebben kunnen wij een 14 dagen voor de heidedracht een aanvang neemt, dus ± 20 Juli aan de oude-moervolken ramen met uitloopend broed (zonder bijen) ontnemen en hiermede de volken met een jonge moer versterken. De volken met een oude moer loopen dan bovendien weinig kans op de heide nog te zullen zwermen.
Reist men met volken naar de heide, dan is het beter een dag of 10—14 voor de bloei begint de bijen daarheen te brengen, opdat zij den tijd hebben zich behoorlijk te kunnen invliegen op hun nieuwe standplaats. Stel daar, indien mogelijk, uw volken in dezelfde volgorde en wijze op, zooals zij ook op den stand hebben gestaan, om eventueel vervliegen te voorkomen en geef ze voldoende voer mee, zoodat ze ook bij slecht weer geen gebrek lijden.
Voor streken waar de dracht is afgeloopen, begint men in deze maand reeds op te voeren voor den winter. Misschien dit jaar ook wel in heidestreken, waar men van de slechtstaande meest bevroren heide geen oogst van eenige beteekenis meer verwacht, zullen de volken met veel jonge bijen den winter ingaan en hierop lette men toch vooral, dan voert men de eerste 14 dagen met kleine portie's, op de manier zooals bij de drijfvoedering is beschreven (zie April). Er vormt zich dan nog een groot broednest. Daarna geve men grootere hoeveelheden, al naarmate opgenomen wordt. Vroeg ingewinterde volken zijn beter in staat om den opgelegden voorraad te verzegelen. Verzegeld winterroer gist niet zoo spoedig en doet de bijen rustiger en warmer overwinteren. Voor het wintervoer geve men 2 gewichtsdeelen suiker op 1 gewichtsdeel water en losse dit door matige verwarming op, totdat zich geen suikerkristallen meer vertoonen.
Over een en ander een volgend maal meer.
G. VELDKAMP.