In het Juninummer toen we spraken over de beste opzetters voor ons klimaat, staat een kleine vergissing. We wezen er op, dat wanneer een zwerm een korf aanvaardt, vooral te letten op ratenbouw, broedomvang en honingvulling, daar dit factoren zijn met het oog op de vruchtbaarheid der koningin. Nu achten wij de beste opzetters zwermen die vóór en midden door de korf een paar raten met fijnbroed naar de achterwand laten doorloopen. Dit is ook voor de toekomst van belang, want ook hier geldt het spreekwoord: de appel valt niet ver van den boom.

En nu wil ik trachten aan het verzoek van U, M. d. R. te voldoen, om n.l. iets meer positiefs van de bevruchting in den korf mede te deelen.
Als men van een korf een zwerm heeft afgetrommeld dan geeft die korf in de eerste uren gewoonlijk een teeken van moerloosheid. Welke die teekenen zijn kunnen we wel laten rusten, ze zijn den bijenhouder met eenige ervaring bekend. Dit is met het afvliegen van een natuurlijke zwerm niet het geval. De scheiding is door onze handen dan niet verstoord. Na het afvliegen van de eerste of bromzwerm zijn de overgebleven bijen van de oude moederkorf dadelijk heerschers over het broed en de aanwezige koninginnecellen. Ze besteden veel zorg aan de nog gesloten zijnde koninginnecellen en verbreken dezen de gesloten cellen, dan beslissen de bijen over haar lot. Daar komen gewilde en niet gewilde koninginnen. Met de gewilde wordt de buit verdeeld, zoodoende ontstaan één of meer nazwermen. De niet gewilde koninginnen zijn overal ongeschikt voor wat we ook al eerder hebben verteld.

Is nu de zwermerij afgeloopen, dan breekt voor de jonge koninginnen de tijd aan voor bevruchting. De bijen met een jonge koningin gehoorzaam aan „vermenigvuldigt u" voelen nu dat haar toekomst afhangt aan haar koningin, die ze daarom nu gaarne bevrucht zouden zien. Meermalen hebben we gezien en zeker velen met ons, dat zoo'n jonge onbevruchte koningin uit het vlieggat naar buiten treedt, wat heen en weer loopt, zich loslaat om gewoonlijk nog even weer voor 't vlieggat terug te keeren zich zoodoende goed oriënteerend en dan het luchtruim invliegt. Ze doet haar bruiloftsvlucht zegt men, wat ik ook onderstreep.
Nu is mijn ervaring echter dat, als in die bevruchtingsperiode de honingdracht slecht is, of het weer ongunstig, ik dan meermalen in de oude moederkorf met zijn jonge koningin die ik om de een of andere reden nazag tusschen de raten een aaneengestrengeld kluwentje bijen waarnam. Nu koesteren de meeste ijmkers de gedachte, daar is nog een koningin te veel aanwezig die nu gedood wordt. Dit kan ook wel eens het geval zijn, doch gewoonlijk niet.

Want als men de moeite deed zoo'n volk, waarin men dat kluwentje bijen had ontdekt er uit te trommelen, dan zou men slechts één koningin vinden. En ontnam men nu van zoo'n volk dat kluwentje bijen, b.v. met een schoteltje, dan treedt onmiddellijk de moerloosheid in, welke aangrijpender is, dan in alle andere gevallen. 't Is net of ze dan aanvoelen “nu is alles voor ons verloren, haar, die we als onze heerscheres gekozen hadden te moeten missen, nu is onze toekomst ook weg.”
Gaat men met een spijl b.v. het kluwentje bijen lospeuteren, dan laten de bijen de koningin los en deze maakt dan dat ze vlug boven in den korf komt.

Uit dit alles blijkt dus duidelijk, dat de bijen niet bezig zijn een koningin te dooden, doch dat ze haar bewerken, dwingen tot bevruchting. Ze zijn haar dan behulpzaam opdat de dar zijn sperma op de koningin overbrengt, daarbij laat de koningin haar angel den vrijen loop, zoodat de dar doodelijk getroffen op den bodemplank neervalt. In den bevruchtingstijd van de jonge koningin vindt men dan ook meermalen (mogen we herhalen bij weinig dracht en ongunstig weer) 1 tot hoogsten 4 darren dood op den bodemplank liggen, en neemt men dit waar twijfel dan niet of de koningin van dit volk is bevrucht, ze zal de korf of kast niet meer verlaten.

Zie M. d. R dat zijn mijne waarnemingen en nu weet ik niet of ik mij voldoende duidelijk en begrijpelijk heb uitgedrukt. Ik heb medegedeeld wat ik waarnam bij de oude moederkorven met jonge koninginnen, 't zelfde kan men ook waarnemen bij zwermen met jonge koninginnen, doch dezen laten we met haar versche teere ratenbouw zooveel mogelijk met rust. Dat proefnemingen voor bevruchting in den korf faalden is eigenlijk ook geen wonder. Koningin, bij en dar vormen een eenheid en ontvreemdt men een deel er van uit de vrije natuur, zoo verdwijne ook de geest voor bevruchting.

IMMENVAÊR.