CORRESPONDENTIE.
Uit een particulieren brief aan een onzer leden van een onzer lezers uit Tampico (Mexico).
Ook hartelijk dank voor Uwe goede bemoeiingen om mij het „Bijenboek" te bezorgen dat ik met veel belangstelling aan het lezen ben; het is heel duidelijk en overzichtelijk geschreven en ongetwijfeld het beste, dat er in 't Hollandsch bestaat.
U en ik twijfelden er aan in het begin of het bijenhouden wel gaan zou in de hitte hier, vooral ook omdat door de lange droogte in het voorjaar er zoo weinig bloemen zijn, maar als ik met iets succes gehad heb en nog heb, dan is het wel met bijenboeren. Het is gewoon een lust en leefde om bijen te hebben hier. Ongeveer twee maanden nadat ik ze gekocht had, dacht ik dat het al mis geloopen was, omdat ik de koningin niet kon vinden en geen broed of eieren te bespeuren waren; ik had al een nieuwe koningin besteld zooals ik U reeds schreef, maar die moest uit de Staten komen en de levering duurde zoowat drie weken; wel viel het mij op, dat intusschen de bijen toch met stuifmeel thuis kwamen en van 's morgens vroeg om vijf uur tot 's avonds zonsondergang druk in de weer waren, maar verder liet ik ze dien tijd met rust.
Toen ik de koningin ontving en ik ze in de kast wilde doen, keek ik voor alle securiteit nog even de raampjes van de broedkamer na, maar toen ik de twee honingkamers op wilde tillen, bleek vooral de bovenste gewoonweg als lood te zijn en bij het openmaken bleek, dat bijna alle tien raampjes voor drie kwart verzegelden honing hadden, prachtige nieuwe raten met goudgelen honing met sneeuwwitte was afgedekt, de broedkamer niet alleen vol met eitjes, maar er waren maar liefst 8 koninginnecellen, die ik alle wegsneed en er nog een honingkamer opzette tusschen de broedkamer en de bovenverdieping, die intusschen bijna ook al vol gedragen is; ik weet gewoonweg niet wat ik met zooveel honing beginnen moet.
Groote vellen kunstraat bouwen ze in drie of vier dagen uit en het vullen gaat in een razend tempo. Ik wil mijn kolonie niet uitbreiden, anders krijg ik te veel werk, dat is in de hitte niet bijzonder aangenaam. Gezien de ervaringen opgedaan toen we pas met bijen begonnen en de opgezwollen bakkes, die ik een paar maal opliep, doe ik altijd een kap op, maar U heeft geen idee hoe men transpireert wanneer men een paar wat volle raampjes nazien moet, of de kamers weer op zijn plaats zetten; zonder iets te doen transpireert men al, laat staan met eenigen zwaren arbeid. Dat is ongeveer het eenige waar ik tegen opzie, anders is het een genot en zou U hier genieten in dit lustoord voor bijenliefhebbers.
Ik vergat nog te zeggen, dat in het bijenboek stond, dat gedurende de groote oogst de koningin geen tijd (ruimte, Red.) gelaten wordt eieren te leggen, wat verklaart, dat ik geen broed kon vinden. Tot zoover een onderwerp dat ons beiden interesseert.
.-.-.-.-.-.-.
Geachte Heer Joustra,
Naar aanleiding van het „Maandpraatje" in het Augustusnummer van ons „Groentje" wil Ik het volgende even melden.
Toen in 1927 voor het eerst tegen de bietenvlieg een vergiftigde suikeroplossing werd beproefd, heb ik direct bij een bijenstand een gewone 2½ % suikeroplossing over planten gesproeid met het doel na te gaan of de bijen hierop zouden reageeren.
Ik merkte spoedig vele bijen, die zich aan de vloeistof te goed deden en na eenigen tijd stond er vlucht op de stand. Het was wel in een drachtpauze, tusschen linde en heide en vermoedelijk zal tijdens flinke dracht door de bijen niet naar de suiker gezocht worden.
Op grond van deze eerste ervaring heb ik me evenwel van propaganda ter bestrijding der bieienvlieg d.m.v. vergiftigde suikeroplossingen onthouden.
Later is wel een andere methode gevolgd n.l. het drenken van haverkaf in vergiftigde suikeroplossing waarvan hoopjes over het veld verspreid worden uitgelegd. Deze methode is niet zoo gevaarlijk, daar nu ook het gevaar, dat door de bijen van vergiftigde dauwdruppels wordt gedronken, ontgaan is.
Nu het Limburgsche lid. Toevallig ben ik hiermede op een terrein met kafhoopjes gaan zien en ook enkele standen waar looperij voorkwam nagegaan.
Op het terrein was geen enkele bij op de hoopjes te zien, het was warm en droog weer, de hoopjes dus ook droog.
Op de standen was ook toen geen looperij, behalve een enkele bij met beschadigde vleugels.
Het verschijnsel, dat zich voordeed is als volgt: De bijen loopen, springen, klimmen tegen plantjes op en trachten te vliegen, kunnen dit evenwel niet en sterven na eenigen tijd. Opmerkelijk is, dat dit het meest voorkomt na enkele dagen donker- of regenweer, zoodra dan weer zonneschijn komt zijn veel loopers te zien.
Bij onderzoek der bijen blijkt steeds den mastdarm overvol met meestal dunne korrelige uitwerpselen. De maag heeft steeds de normale kleur.
Dit verschijnsel kwam op verschillende standen voor, zoowel in Noord-, Zuid- als Midden-Limburg. Ook op mijn stand, alhoewel voor zoover ik weet geen kafhoopjes in de buurt liggen.
Ik heb de personen aangeraden goed op te letten en zoodra er bijen op de kafhoopjes komen me even te waarschuwen. Indien feiten worden vastgelegd is er meer te bereiken, dan wanneer gezegd wordt „ze vliegen dood op de karotten".
Hoogachtend Uw. dw.
J.M. HAAN.
.-.-.-.-.-.-.
Mijnheer de Redacteur,
In de No. 12 van 1927, een en twee van 1928 kan U een gedachtenwisseling aantreffen over de Boxmakorf. Ik heb daarin A gezegd en beloofde eenmaal eens B te kunnen zeggen.
Bijgaande foto is voor mij van meer waarde, dan kolommen praats. Volgens mijn weinige bijenkennis, komt het mij toch voor dat de Boxmakorf een verbeterde strookorf is. Van lepel en pan en hoeveel narigheden niet meer, niets van te bespeuren, hier ziet men niets dan wat moois, als al de honigkamers ten volle uitgebouwd en gevuld waren nog mooier, maar 1929 wilt ge met een zwarte kool geteekend worden, als honigjaar?
Links boven een ledige honigkamer, van binnen gezien, de overigen ½, ¾ en geheel gevuld. Tot een gewicht van 6½ K.G. honig in de kast, prachtbijen voor de heidedracht over, 't is toch een stap in de goede richting al zijn wij er nog niet.
Met dank voor plaatsing en Imkersgroet.
A. HAAN, Kanaal 155, Assen.