Microscopisch onderzoek betreffende de in honing
voorkomende stuifmeelkorrels.

door DR. H.W. DE BOER.

(deel VIII, slot)

De vormen van de in September door onze bijen verzamelde stuifmeelkorrels zijn in hoofdzaak dezelfde als die van de in Augustus bloeiende planten. We zullen daarom deze serie artikelen niet besluiten met teekeningen van het stuifmeel van in September bloeiende gewassen, doch met eenige microfoto's, genomen van eenige willekeurige in den handel voorkomende honingsoorten
Deze micro-foto's, dus de foto's, van het beeld van het stuifmeel, zooals we dat door de microscoop zien, hebben betrekking op Nederlandschen en op buitenlandschen honing.

Voor ‘t gemak van den lezer zijn de voornaamste stuifmeelsoorten met een pijltje aangeduid, waarbij een letter (a, b of c) staat.

foto 1 & 2. Nederlandsche klaverhoning.
vertoont de volgende stuifmeelsoorten:

a. een enkele stuifmeelkorrel afkomstig van de struikheide.
b. stuifmeelkorrels van de witte klaver (die de hoofdmassa vormen).
c. stuifmeelkorrels van de berenklauw.

foto 3 & 4. Nederlandsche klaverhoning.

a. stuifmeelkorrels van de witte klaver
b. betrekkelijk veel stuifmeelkorrels van de struikheide.

foto 5 & 6. Nederlandsche heidehoning.

a. stuifmeelkorrels van de struikheide (de hoofdmassa vormend)
b. enkele stuifmeelkorrels van de witte klaver.

foto 4. Mexikaansche honing.
a. vele kleine driehoekige stuifmeelkorrels van een onbekende plant (de hoofdmassa vormend)
b. enkele stuifmeelkorrels die veel gelijken op pollen van fruitboomen (appel, peer, perzik).

foto 5. Zuid-Amerikaansche honing.
a. betrekkelijk veel zetmeelkorrels.
b. donker bruine stuifmeelkorrels van een onbekende plant, verder veel afval (wasdeeltjes, bijenharen, stof en vuil enz.).

foto 6. Havanna honing.
a. hoofdzakelijk stuifmeelkorrels met één spleet, afkomstig van éénzaadlobbigen (monocotylen), welke slechts bij hooge uitzondering en dan nog zeer spaarzaam in Nederlandschen honing worden aangetroffen. Ook deze honing bevatte veel afval en daar hij tevens in gisting verkeerde, veel gistcellen (zie bij b.).