Dezen herfst had ik het voorrecht nog eens weer verschillende plaatsen te bezoeken, die ik in mijn jonge jaren — als ik reisde met mijn bijen naar de heide — meermalen bezocht. Over de groote verandering die er gedurende de laatste jaren in de verschillende dorpen en streken heeft plaats gehad, wil ik niet vertellen, daar zulks in ons Maandblad niet op zijn plaats is.
Toch kan ik niet nalaten nog even te wijzen op het groote verschil wat de „bijenweide" betreft voor een 20 à 30-tal jaren of nu. Toen uitgestrekte velden heide en boekweit zoodat men zijn bijen bijna zonder moeite overal kon plaatsen en nu, wel hier en daar nog stukken heide — en wat voor heide — en dan veel met bebouwde stukken land er tusschen, die het plaatsen van bijen ook vaak bemoeilijken, omdat men vreest er last van te zullen krijgen. Echt goed deed het mij die plaatsen nog eens weer te zien, waar ik jaren aaneen tusschen de 100 en 200 korven plaatste.
Eén verlaten stand op een klein stukje heide en aan den voet van een zandheuveltje vond ik nog terug. Was het wonder dat het even stil werd binnen in mij, dat voor mijn geestesoog voorbij trokken de vervlogen tientallen jaren met hun oude herinneringen? Hoeveel uren heb ik hier niet doorgebracht op de „groote stille heide" bij mijn nijver volkje, uren die altijd voorbij vlogen? Neergehurkt op ééne knie zat ik dan te turen naar de af- en aanvliegende bijen, lettende of ze al dan niet beladen thuis kwamen. Wat heeft men in die houding ook altijd een mooie kijk op de vlucht der bijen en het geoefend oog van den bijker bespeurt onmiddellijk met welke korf het niet in orde is. Veel is er uit de vlucht der bijen af te leiden. Is het echter in orde en zijn ze druk aan den arbeid, men stoort ze dan zoo weinig mogelijk en laat de stal met rust.
Van bijenstallen of -standen gesproken, wil ik nog even vertellen hoe ik mijn bijen het liefst op de heide plaatste. Ik had altijd de gewoonte — en dat beviel mij steeds goed — ze in een halve maan met de vlieggaten naar het Zuiden of Zuid-Oosten te plaatsen. Dan heeft men de minste last van storende winden en voorkomt men het vervliegen. Heeft men een beschutting (zandwal) achter de korven met een flinke bedekking op de korven, dan zijn ze goed beschermd tegen regen en koude. Ook plaatste ik liefst niet meer dan 50—75 korven bij mekaar, wel op een 5 à 10 min. afstand weer een aantal. Toen echter de bijenweide begon in te krimpen, kon men ze dikwerf niet zoo meer plaatsen als men dat graag wou, het werd een opeenhooping van eenige honderden korven bij mekaar. Zoo zag ik meer dan eens op kleine afstanden van elkaar meer dan 1000 korven. Dit is voor een goede dracht niet gewenscht en het is jammer dat de ijmkers onderling niet meer overleg plegen in dezen. Ik vrees, dat nu er steeds grootere velden heide in cultuur worden gebracht, dit euvel nog meer zal toenemen.
Voor onze bijen en voor ons als ijmker is er nu een tijd van rust aangebroken. Zeker hebben we allen het „laatste bedrijf" gehad ik bedoel de aflevering van de honing aan zeemerij of handelaar. Jammer dat er dit jaar niet veel viel „uit te breken", dat is anders altijd een mooie dag vind ik. Dan zijn alle ijmkers in actie en dan thuiskomende met de ledige korven, dan komen bij goed weer ook onze bijen nog even weer in actie. Daar valt nog iets te halen en 't is opmerkelijk zoo spoedig ze zulks bemerken. Maar och, 't is ook voor haar niet veel en 't zijn ook haar laatste troeven.
Voor ons, als bijkers, is er altijd nog iets te doen in de wintermaanden, b.v. korven vlechten en verder doet men goed, werken over bijenteelt te lezen, cursussen te volgen of lezingen bij te wonen. Onderlinge besprekingen geven ons ook vaak een beteren kijk op dingen die ons onduidelijk zijn en kunnen onzen blik verhelderen. In gebrek aan kennis over het leven en werken onzer bijen, ligt een voorname reden in de mislukking van veler bijenhouder!
Ik hoop dat de weinige artikelen die ik schreef over korfteelt in ons Maandschrift, en die vaak gebrekkig en misschien onduidelijk waren neergepend, toch nog enkele ijmkers iets hebben geleerd, waar ze in de praktijk winst mee kunnen doen en die de liefde tot de bijen heeft aangewakkerd, zoodat ze op hun ouden dag met mij mogen en kunnen zeggen „ik heb mijn bijen lief tot aan den dood".
IMMENVAÊR.
NASCHRIFT REDACTIE.
„Immenvaêr" neemt voor dit jaar afscheid van zijn lezers. Wij zeggen hem hartelijk dank voor het feit, dat hij op zijn ouden dag, met zulk een jeugdig enthousiasme over zijn bijtjes schrijft. Welk een imkersjeugd moet dààr achter gezeten hebben en hoe heerlijk zullen zijn bijtjes zich gevoeld hebben onder zijn liefderijke behandeling. „Immenvaêr" de imker van den ouden stempel met een scherpzinnigen kijk op den toekomst.
Buitengewoon aangenaam doet het ons aan — en het getuigt tevens van zijn helder inzicht — dat hij den jongeren aanraadt veel te lezen, veel te leeren, vergaderingen te bezoeken en met elkaar over de bijtjes te spreken.
Dat is nu het nieuwe geluid, dat wij nu eens van een ouden imker kunnen beluisteren.
Laat het ons tot een lijfspreuk worden.
RED.