HET INWINTEREN DER BIJEN.
Lezing gehouden door den Heer H.A. Beil op den
7en Imkersdag te Utrecht.
Zijn de honingkamers van de bijenwoningen geledigd en afgenomen, wat overal, waar geen herfstdracht te wachten is, reeds begin of midden Augustus geschieden moet, voordat de inwintering begint, al zijn volken op:
1°. moerechtheid; 2°. broed; 3°. volkssterkte; 4°. honing; 5°. bouw.
In streken zonder herfstdracht wordt reeds in de maand Augustus in kleine kwantums gevoerd, opdat de moederbij nog aan den leg gaat, en men zoodoende voldoende jonge bijen verkrijgt, die den winter kunnen doorstaan en in het voorjaar komen. Alleen waar herfstdracht is, is voeren overbodig.
Wanneer de koningin geen voldoende levenskracht bezit — hetgeen men reeds sedert weken heeft kunnen waarnemen — wordt zij bijtijds door een jonge moer vervangen, opdat ze nog eieren legt en er broed verkregen wordt, waardoor ze tevens nauwer met het volk verbonden wordt.
Vóór de inwintering moet men dus in de eerste plaats letten op 't verkrijgen van vele jonge bijen en van een goede koningin, die in den nazomer getoond heeft een gesloten rijk broednest te kunnen onderhouden. Bovendien is er noodig: een voldoende voorraad wintervoedsel, een gezonde, warmtehoudende en goed sluitende bijenwoning met winterventilatie zonder tocht, alsook een voldoende bescherming tegen kou en vochtigheid.
Zwakke volken worden vereenigd of bij buurvolken bijgevoegd en hun broedraten verdeeld onder sterke volken, die ze nog bebroeden kunnen. Gebrekkige en oude, zwarte raten zijn in den loop van den nazomer of herfst al buiten het broednest geplaatst en kunnen nu gemakkelijk verwijderd worden. In 't winternest mogen de raten niet te oud zijn, omdat de volken anders in 't voorjaar in ontwikkeling achterblijven. Het is ook niet goed, in den laten herfst, b.v. in October, de ramen van het winternest nog uit elkaar te halen, omdat dan de werkzaamheid der bijen reeds erg verminderd is, en ze niet meer in staat zijn, alles naar behooren vast te kitten. Gevolg zou zijn: slechter overwintering.
De volken moeten een voldoende voorraad wintervoer hebben, en wel ten onzent minstens 15—20 pond, al naarmate de winter lang is en men de bijen warm of koud inwintert. Het ontbrekende kwantum moet bijgevoerd worden. Beter is, te veel dan iets te weinig te geven.
Het natuurlijke bijenvoedsel is honing; maar voor een goede overwintering is de zelf verzamelde honing niet altijd geschikt. Late zomerhoning en bladhoning veroorzaken dikwijls dorstnood en roerziekte. Maar ook goede bloemenhoning, die vast kandeert, zooals b.v. koolzaad- en dennenhoning, heeft dorstnood tot gevolg. 't Is derhalve gewenscht, 1/3 – 1/2 van den wintervoorraad in den vorm van suikerstroop bij te voeren, zoodat de bijen van dit vloeibare voedsel, dat op de raten den binnensten honingkrans vormt, gedurende de broedlooze wintermaanden Nov., Dec. en Jan. teren. Wordt dus tegen het voorjaar, d.i. vanaf Februari broed aangezet, dan beschikken de bijen over honing, die toch voor het broed het voedsel is.
Het beste overwinteringsvoeder is mij altijd gebleken het slechtste broedvoeder te, zijn. En omgekeerd: het beste broedvoedsel - ook door de natuur gebodene - blijkt dikwijls het slechte overwinteringsvoer te zijn. De kunst, om bijen goed te overwinteren, ligt hierin, dat men van beide soorten het juiste kwantum geeft.
Het beste overwinteringsvoeder is de kristalsuiker. Maar wie bijen bezit, die reeds vroeg in den winter broed aanzetten, doet zeer verkeerd met alleen suiker te voeren. Het broed is dan niet aaneengesloten, omdat een groot getal larfjes gestorven is wegens de gebrekkige voedering.
Is te veel honing in het broednest aanwezig, dan kan men uit het midden geheel gevulde raten tegen half gevulde inruilen en suiker voeren.
Een zeer belangrijk deel van 't wintervoedsel is 't stuifmeel (pollen), dat in kasten met kleine ramen dikwijls eenigzins van 't broednest verwijderd is en door onervaren imkers bij het verwijderen van overtollige ramen mede weggenomen wordt. Bij groote ramen, b.v. bij die van Thuringer kast, bevat bijna elk broedraam stuifmeel. Hoe meer stuifmeel, hoe meer suiker men kan voeren. Toch zou ik er voor willen waarschuwen, de bijen op louter suiker in te winteren.
Wie buitenl. honing wil voeren, moet dien eerst koken.
Om zeker te zijn, dat we geen honingdauw-en bladhoning en andere sterk kristalliseerende honing mee in den winter nemen, slingeren wij de laatste jaren in den herfst alle raten uit en plaatsen de volken op 7—9 uitgezochte mooie raten, die tevens stuifmeel bevatten, waarna we dan ± 15 pond suiker met honing — liefst klaverhoning — voeren.
De Suikeroplossing die we voeren, wordt op verschillende wijzen bereid. Sommigen nemen suiker, met water vermengd, in de verhouding 1 : 1 of 3 : 2 d.w.z. 3 K.G. suiker op 2 K.G. of 2 L. water. Dit mengsel wordt gekookt — pas op voor aanbranden! — afgeschuimd en lauwwarm of koud gevoerd. Soms voegt men bij het water een weinig zout en een lepel azijn, om het inverteeren gemakkelijk te doen geschieden. 5 K.G. van zulke suikeroplossing geeft dan ± 4 K.G. gezegeld wintervoedsel.
Anderen doen in een kookketel een emmer vol suiker en voegen daar een emmer water bij, waarin zooveel maal 2 Gr. wijnsteenzuur is gevoegd als men K.G. suiker in den ketel heeft. Wanneer dit mengsel een kwartier lang opgekookt wordt, is de suiker geheel geïnverteerd en kan ze tot diep in het najaar gevoerd worden. Het bijvoegen van wijnsteenzuur is echter overbodig, wanneer de suiker gegeven wordt in een tijd, waarop de bijen nog uitvliegen. Het is m.i. voor een goede overwintering der bijen van groot belang, dat de suiker goed geïnverteerd en door de bijen in de cellen verzegeld wordt. — Hoe sneller het benoodigde winter voer door de bijen opgenomen wordt, des te beter, daar het voeren in kleine hoeveelheden de uitwerking van een late speculatieve voedering zou hebben, waardoor de koningin tot een te late broedaanzet geprikkeld wordt.
Wij voeren met succes elken avond 1 L. voer, waarbij de bakken en flesschen 's morgens weer verwijderd worden.
Ik herinner er bij deze gelegenheid aan, dat 't juist 20 jaar geleden is, dat er in ons land gedenatureerde suiker geleverd werd aan de imkers als noodvoer voor de bijen. Het toenmalige denatureeringsmiddel: ½% paprika en 0,005% methylviolet hadden we te danken aan proefnemingen in Oostenrijk genomen op de bijenstanden van de grootimkers Wohlrap en Margion in de jaren 1907 en '08. Sedert eenige jaren wordt bij ons een ander denatureeringsmiddel toegepast, dat onze bijen maar moeten slikken, zonder dat de imkers weten welke proeven hieraan zijn voorafgegaan. Meer openbaarheid hieromtrent zou m.i. zeer gewenscht zijn.
Bij de inwintering moet de imker ook letten op een gezonde, goed sluitende, warmtehoudende woning met bovenventilatie zonder tocht. Immers, van een degelijke inwintering hangt ook een goede overwintering af. Wij noemen die goed, als de volken bij het minste gebruik van voedsel ook met het geringste volksverlies, dus sterk aan volk, door den winter komen. Mag het dan ook wel eens gebeuren, dat de zeer sterke en honingrijke volken, wel eens te warm worden ingewinterd, vooral in zachte winters; heeft men zelfs voorbeelden, dat krachtige volken zonder bijzondere verpakking met een wijd open vlieggat best overwinteren en ook in 't voorjaar goed voldoen, — zoo mag men zich hierdoor toch niet laten verleiden, om door deze enkele gevallen te gaan generaliseeren en te denken, dat alle volken onder alle omstandigheden te warm ingewinterd worden. Integendeel: de bijen zullen eerder te koud dan te warm ingewinterd worden.
De wonder-fijnontwikkelde warmtezin der bijen, benevens hun vermogen, om een constante temperatuur te onderhouden, zijn beide sterke aanwijzingen, dat de bijen dieren zijn, die zoo weinig mogelijk aan lage en aan wisselende temperatuur blootgesteld moeten worden.
Wij weten van koninginneteelers, die de moercellen in een broedoven laten rijp worden en uitloopen, hoe nauwkeurig ze er op moeten letten, dat de temp. op 38½°—39° blijft. Daalt de temp. gedurende meer dan 1—2 uur ook maar slechts ca. 2°, dan komen de koninginnen met slecht ontwikkelde vleugels ter wereld. Stijgt daarentegen de temp. 2 à 3°, dan sterven de jonge moeren gewoonlijk. Het zelfde geschiedt ook bij gewoon bijenbroed, wanneer wegens plotseling invallende kou of nachtvorst de bijen gedwongen worden, den tros nauwer samen trekken en een deel van 't broed te verlaten.
„De kou teert", zegt de volksmond. Liebig verklaart dat aldus: 's Winters, wanneer bij beweging in de koude lucht het kwantum ingeademde zuurstof toeneemt, neemt ook in dezelfde mate de behoef te toe aan koolstof rijk voedsel, waardoor we tegen de kou beschermd worden. Dat is bij alle warmbloedige dieren zoo. Naarmate ze meer aan kou zijn blootgesteld, gebruiken ze meer voedsel. En ook voor onze koudbloedige bijen geldt hetzelfde. Maar veel voedsel tot zich nemen brengt voor de bijen het gevaar mee, dat ze zich ook vroeger moeten ontlasten, en dat kan bij langdurige winters tot onheilen aanleiding geven.
Zaak is dus, de bijen niet te noodzaken veel voedsel te gebruiken. Een warmtehoudende woning met een behoorlijke winterverpakking is daarvoor het aangewezen middel. Deze winterbedekking hangt af van de meerdere of mindere strengheid van den winter en van de standplaats der bijenwoning. Op een windstille standplaats en bij niet te strenge kou behoeven de bijen minder warmte voort te brengen dan in het omgekeerde geval, en behoeven ze dus ook minder voedsel te gebruiken, waardoor haar levensduur verlengd wordt.
Aan vochtigheid kunnen de bijen nog minder goed weerstand bieden dan aan kou. Als men bedenkt, hoeveel vocht door de bijen afgescheiden wordt, dan begrijpt men, dat het zaak is, dat dit vocht niet tot water gecondenseerd wordt en vooral, dat dit vocht niet op den wintertros valt. Het spongat boven moet dus geopend en met een de vochtigheid absorbeerend kussen gedekt zijn. Een vilten spon doet den zelfden dienst. Bij Simplexkasten moeten de bakken goed op elkaar sluiten; anders ontstaat tocht, die voor de bijen doodend is. Wordt het vlieggat bij strenge kou verkleind, dan verzuime men niet, het bij ± 14° C. weer te vergrooten en de kast te luchten.
Ik heb er straks reeds op gewezen, dat we gewoon zijn onze bijen in kasten met één broedbak te overwinteren. Men is meestal tevreden, als de bijen zonder volksverlies levend door den winter te komen. Maar dat is toch eigenlijk niet genoeg. Zullen onze volken profiteeren van de rijke voorjaarsdracht, dan moeten ook reeds een aanzienlijk getal jonge bijen geboren zijn.
De haal- en teerbijen — als ik de laatste zoo noemen mag — moeten in goede verhouding aanwezig zijn, zoodra in 't vroege voorjaar de dracht begint. Dit is een factor, waarop bij ons te lande over 't algemeen nog veel te weinig gelet wordt. We kunnen in dit opzicht veel van de Amerikanen leeren, die slechts bij uitzonderingen in enkele bakken overwinteren. Ingewinterd in 2 op elkaar geplaatste broedkamers, die van veel ruimte en 'n overvloed van voedsel (meest honing) voorzien zijn, — degelijk verpakt met hooi en loof (het laatste voldoet het best), — goed beschermd tegen wind, neemt bij de Amerikanen de volkssterkte tegen het voorjaar toe, naarmate de woningen warmtehoudend verpakt zijn, zooals uit bijgaande graphische voorstelling blijkt.
Men ziet hieruit, dat behalve 'n voldoende voedselvoorraad, een goede bescherming tegen kou en wind de hoofdvoorwaarde is voor een goede overwintering, en dat tevens een voldoende ruimte om te broeden voor het verkrijgen van een groot leger drachtbijen in 't voorjaar van groot belang is.
Het is verwonderlijk, hoe weinig een bijenvolk verteert, dat droog en warm en in goede levenslucht zit. De kou kost veel honing en doodt veel bijen; de warmte daarentegen spaart voedsel en is als medicijn voor de bijen.
De overwintering der bijen in een verwarmd vertrek is bij ons nog niet gebruikelijk, maar in 't buitenland reeds met succes beproefd. Circa 30 jaar geleden bracht ik een bezoek aan Pfarrer Weygandt te Flacht bij Diez in Hessen-Nassau; hij had bijenvolken gehuisvest in een soort boekenkast in zijn studeerkamer. De bijen hadden door een kanaal gelegenheid, naar buiten uit te vliegen. Ook had hij een groot paviljoen met ± 50 bijenkasten, dat 's winters ook verwarmd werd. Na dit bezoek construeerde ik de Dinxperlosche kanaalkast. Het bleek mij toen reeds, dat de bijen naar wensch overwinteren, wanneer men:
1°. alle vochtige neerslag in de bijenwoning voorkomt,
2°. gedurig versche lucht toevoert en verbruikte lucht afleidt,
3° groote temperatuurswisseling in de woning verhindert en geen lage temperaturen in de woning toelaat,
4°. er voor zorgt, dat de volken zich nooit opgesloten gevoelen, maar zich steeds in 't genot van een ongestoorde vrijheid bevinden.
Zijn alle volken voldoende „ingewinterd", dan is rust het parool. Er mogen dan met de woningen geen manipulaties meer worden uitgevoerd. Ook moet de imker er voor zorgen, dat de volken niet door vogels, muizen, katten e.d. in hun winterrust verstoord worden.
Ik wil er nog op wijzen, dat men de winterverpakking in de woningen gevoeglijk reeds voor het opvoeren aanbrengen kan, mits men door het aanbrengen van stroomatten met spongat zorgt voor voldoende ventilatie zonder tocht.
Alleen bij strenge kou, sneeuwbuien, enz. bescherme men de frontzijde van den bijenstal, door er stroo- of rietmatten voor te plaatsen. Men diene er dan evenwel tevens voor te zorgen, dat er geen enkele lichtstraal doorheen in de donkere ruimte valt. Anders moet men bij een temperatuur van ± 8° C. de bescherming wegnemen, omdat dan de bijen, die door de hooge temp. naar buiten gelokt zijn, niet meer in haar woning kunnen terugkomen.
Wij hebben onze volken in korven en kasten in een ruimte, omringd door een schutting van 1½ M. hoogte; de vlieggaten zijn bovendien voorzien van een z.g. wintervliegkanaal, dat ons zeer goed bevalt.
Tenslotte wil ik nog even de aandacht vestigen op het feit, dat de Nederlandsche bijenstapel altijd gebleken is kerngezond te zijn, terwijl toch in andere landen verschillende ziekten zijn opgetreden. Ik zou wenschen, dat de wetenschap de mogelijke oorzaak eens ging opsporen. Men spreekt veel over de wonderen van het bijenvolk. Hieronder reken ik o.a. ook, hoe de bijen strijden tegen schimmelvorming van 't stuifmeel (pollen) en tegen het vuil worden en afsterven van broed, en zich beveiligen tegen schadelijke invloeden van kou, warmte, wind, regen, enz.
Hoewel het stuifmeel op zichzelf reeds weerstandskracht bezit tegen bederfverwekkers, zoo schijnt toch deze nog te worden verhoogd door het oliegehalte van den nectar. Wij mogen derhalve m.i. de gewoonte onzer bijen, om het stuifmeel reeds bij 't verzamelen met nectar te bevochtigen en het aldus tot kleine balletjes te vormen, met recht aanzien als een in den loop der eeuwen verworven middel, om de schimmelvorming van het stuifmeel in de woning tegen te gaan; nog daargelaten het feit, dat het volume van het op te bergen stuifmeel door het kneden zooveel kleiner wordt.
Alleen bij uiterst ongunstige weergesteldheid kan na wekenlang liggen in de cellen een verschimmeling of gisten van het stuifmeel intreden, waardoor de jonge bijenlarven, die er mee gevoed worden, te gronde moeten gaan. Zoo vindt men b.v. bij uitgraving van bijennesten dikwijls veel jong broed gestorven, verschimmeld of verdroogd.
Interessant is het, na te gaan, hoe in de huishouding der natuur en met name in de bijenwereld op telkens weer andere en ongedachte wijze de wetten van natuur- en scheikunde ten nutte gemaakt worden en toepassing vinden in den strijd om het bestaan en in den strijd tegen de schadelijke werking van allerlei bacteriën en schimmelsporen.
Gravende in de aarde vindt men soms bijennesten, waarin pollenballen voorkomen, die op 3 pootjes staan en verder geheel omringd zijn door een isoleerende luchtlaag, terwijl de celwanden bekleed zijn met speeksel, ten einde aan het indringen van vocht weerstand te kunnen bieden. Lager staande groepen van in 't wild levende bijen trachten zich te beschermen tegen schadelijke invloeden, doordat ze haar nesten bouwen in of gebruik maken van bladeren of gedeelten van planten, die looizuur of narcotische stoffen bevatten, waardoor schimmelvorming of woekering van bacteriën wordt tegengegaan. Sommige van die bijen gebruiken voor haar nestbouw eiken-, rozen- en andere bladeren wegens hun gehalte aan looizuur; andere gebruiken de bloembladen van papavers wegens aan gehalte aan opium of de bladeren van geraniums e.d., planten wegens hun sterken reuk en narcotische stoffen. Bij nog andere groepen vinden we de bladlaag van binnen geheel met hars bedekt, terwijl er ook zijn, die haar cellen uit zuiver dennenhars vervaardigen.
Zoo vinden wij de ontwikkeling van verschillende beschermingsmiddelen toenemen van zuivere boomhars tot door de bijen zelf geproduceerd hars (propolis) en zuiver bijenwas. Dit uitscheiden van vetzuren vinden wij bij verschillende groepen van bijen in een stijgende lijn.
Ik zal hierop thans niet nader ingaan. Ik wilde alleen hierop wijzen, omdat wij hieruit kunnen opmaken, dat ook onze bijenvolken in staat zijn, zich voor den winter te beveiligen en het woekeren van bacteriën, mits de imker zorg draagt, dat hij door verkeerde maatregelen de natuur niet gaat tegenwerken, maar haar zooveel mogelijk tegemoet komt en steunt.
H.A. Beil