Als deze maand verstreken is, dan is het jaar weer ten einde. Met hoeveel verwachtingen werd het jaar begonnen en wat is het resultaat geweest? Zomerhoning is hier en daar, soms wel in flinke hoeveelheden gewonnen, doch de heide liet het weer zitten en zoo laat de toestand in de heidestreken zich er niet rooskleurig uitzien.

Gelukkig dat het najaar nog mooie dagen bood en de bijen behoorlijk konden worden opgevoerd. Wel was de hoeveelheid suiker, die verstrekt mocht worden krap toegemeten voor een jaar als dit, maar we zullen hopen, dat de Regeering zal inzien, dat jaren als 1929 een grooter kwantum suiker dan 7½ K.G. per volk wettigen.
Het is echter een gelukkig verschijnsel, dat men over het algemeen de bijen niet houdt uitsluitend voor het gewin. Ware dit het geval, het zou er met de bijenteelt in ons land treurig uitzien en zeer zeker zou men er de wrange vruchten (ik geloof zelfs heelemaal geen vruchten!) van plukken.
Voor ons imkers is het een blijde gedachte, dat wij de bijenteelt beoefenen tevens medewerken aan een grootere productie van fruit en zaad en al hebben wij aan deze hoogere productie niet meer dan elk ander Nederlander, we hebben de genoegdoening iets te hebben bijgedragen tot een deel van de volkswelvaart. En daarom is het ook onzen plicht, om ook anderen en vooral hen, die bij de fruit- en zaadteelt betrokken zijn, op te wekken bijen te gaan houden. We moeten niet uit verkeerd begrepen eigenbelang het houden van bijen tegengaan. Laat er maar gerust eenige duizenden imkers bijkomen. Bij een groot aantal imkers varen wij allen wel.

Bij het samenstellen van den inhoud van ons Groentje, toen al het in 1929 geschrevene nog eens de revue passeerde viel het mij op, dat dit jaar er voor onze vereeniging een geweest is van verhoogde activiteit, welke activiteit zich voor een groot deel bezighield met reclame voor honing. En nu zullen er wel „onaangename menschen zijn in de Haarlemmerhout" die zullen zeggen „niet veel zaaks", nurksen vindt men op ieder terrein en zij vroolijken de zaak nog wat op, al hebben zij het gewoonlijk bij het verkeerde eind. Al was dan het bijenjaar niet schitterend te noemen, het ging in onze Vereeniging naar wensch, dank zij ook het medeleven van onze leden en de prettige opgewekte geest die overal te beluisteren valt.
Ook ons Maandschrift deelde in die algemeene belangstelling en wij mogen het ons tot een eer rekenen, dat die belangstelling niet uitsluitend te vinden is in ons vaderland, doch ook daarbuiten.

Men zegt wel eens „eind goed, al goed" Als dit spreekwoord waarheid bevat, dan hebben we dit jaar niet te klagen. Immers een waardig slot is wel de afkondiging van het honingmerkbesluit. We kunnen momenteel niet zeggen of dit besluit voor onze imkers de verlossing zal brengen, maar dat is zeker, dat men ons in het buitenland om dit besluit benijdt en het feit, dat er in ons eigen landje door niet-imkers zoo'n storm tegen het besluit opging is wel het beste bewijs, dat het voor de Nederlandsche Bijenteelt van belang moet worden geacht. Wij zouden geen rasecht Hollander zijn, indien we niet overal bezwaren zochten en zoo zullen er zelfs onder onze leden zijn, die hier en daar aanmerkingen op hebben.

Dat is niet zoo erg, maar laat hen dit niet weerhouden, om toch al hun krachten in te spannen, dat deze nieuwe instelling de grootst mogelijke kans geboden wordt. M.a.w. laten allen die honing verkoopen zich aansluiten. Niet gaan zeuren en zeggen het geeft toch niets, maar mee aanpakken. Er is een deel van onze imkers die zeggen dat de Nederlandsche imker waarvan het bekend is, dat hij niet knoeit, hoe langer hoe meer onder controle gesteld wordt en de buitenlandsche honing niet aan zulke strenge bepalingen is onderworpen. Voor deze zienswijze is iets te zeggen, maar geen enkele bonafide imker vreest contrôle en bij slot van rekening koop ik liever voedingsmiddelen, die onder scherpe contrôle staan, dan die waarbij contrôle ontbreekt en ik geloof, dat menigeen er zoo over zal denken. Het is echter een kwestie van tijd en reclame, om den Nederlandschen consument hierop te wijzen en hem tot dit inzicht te brengen. Helpen wij allen hiertoe mede.

En nu mijn beste imkervrienden, we hebben dit jaar al heel wat met elkaar gebabbeld en in de tijden van tegenspoed steun aan elkaar gehad. Wij hebben getracht de mismoedigen te troosten en een hart onder den riem te binden en de moedigen tot grootere werkzaamheid trachten aan te sporen.
Wij kunnen dit zoo gemakkelijk doen, omdat wij een vak beoefenen, dat ons aller genegenheid bezit en waarin gij en ik opgaan. Het mooie van het imkersleven is, dat we steeds willen leeren en gaarne goeden raad aannemen. De staf van medewerkers is ons daarbij behulpzaam geweest en aan het einde van mijn praatje dank ik onze trouwe medewerkers, mede namens onze lezers, voor de moeite die zij zich getroost hebben om ons geliefde vak omhoog te voeren.

JOH.A. JOUSTRA.