De vorige maal schreef ik over de moeilijkheden, die ook de Duitsche imkers ondervinden bij den afzet van hun product ten gevolge van den steeds grooter wordenden buitenlandschen invoer. Hoe groot was daar ook reeds niet het getal dergenen, die de toekomst donker inzagen. Doch ook onze overburen bezitten de eigenschap, die alle imkers gemeen hebben n.l. de hoop op betere tijden betreffende den afzet en het gewin.
Thans gaan de Duitsche imkers weer vol hoop de toekomst tegemoet, vooral nu hun voorvechter, het parlementslid Kickhöffel, voor hun belangen opkomt. Het resultaat hiervan is reeds, dat de Duitsche regeering het invoerrecht van buitenlandschen honing in Duitschland aanzienlijk heeft verhoogd. Voorheen bedroeg dit invoerrecht 40 Mrk. vanaf 1 Januari 1930, 70 Mrk. per 100 K.G. of 21 cent per pond. Dus niet zoo weinig. De Duitsche imkers zijn met dezen maatregel dan ook zeer in hun nopjes en Kickhöffel is bij hen dan ook de held van den dag. En nu hoor ik velen van onze imkers reeds roepen om den Hollandschen Kickhöffel! Ja vrienden waar zit die?? Doch in afwachting van zijn komst zit men ook hier niet stil. Het rijksmerk kan er reeds veel toe bijdragen om den afzet van het eigen product te bevorderen en tegen hoogere prijzen.
In verband met het bovengenoemde Duitsche invoerrecht rijst de vraag: of in het vervolg evenals in vorige jaren nog Duitsche opkoopers hier honing zullen komen opkoopen, zij zullen zich hier wel niet meer vertoonen!! Voor vele korfimkers in het oosten van ons land is dit jammer en zij zullen naar andere wegen moeten uitzien om hun honing loonend te kwiteeren.
In een artikel speciaal geschreven voor de Leipz. B.-Zeitung door den grondlegger van „die Welteislehre" Ing. H. Hoerbiger te Weenen, wordt den Duitschen imkers aangezegd, dat 1930 een zeer kouden winter zal brengen, een nat voorjaar en de boomen later in bloei zullen komen. De beroepsweerkundigen zijn naar hun waarnemingen ook tot dezelfde conclusie gekomen. In hoeverre dit ook op ons land betrekking heeft dient te worden afgewacht. Weer late zwermen?!
Naar aanleiding van een wetenschappelijk artikel in de Leipz. B.-Z. van Dr. med. P. W. Philipp in Sachsen, over de bereiding van het kithars of propolis, voornamelijk betreffende de herkomst van het was, hetwelk in de propolis voorkomt, het volgende: Tot heden tastte men omtrent de herkomst van het in de propolis aanwezige was nog in het duister. Een 5-jarig onderzoek van Dr. Philipp bracht hieromtrent zekerheid. Het genoemde was i/d propolis bedraagt ± 16,05%, welke was vermengd is met een weinig stuifmeel, stof en haartjes. Deze bestanddeelen worden alle in het bodemschroot of het z.g. plankwas eveneens aangetroffen.
Daar het verkitten hoofdzakelijk in den herfst plaats vindt en de bouwdrift dan in normale gevallen rust, moest z.i. het wasschroot op de een of andere wijze verzameld worden en aan het kithars bij gebruik worden toegevoegd. Maar hoe?
Vanaf October telde hij van verschillende volken alle op den bodem liggende bijen en ook die, welke vóór de woningen lagen, want stervende bijen verlaten zoo mogelijk nog de woning (Hygiène in het bijenvolk). Bij geregelde inspectie bleek, dat bijna 100% der buiten liggende bijen overgebracht in een warm vertrek weer tijdelijk opleefden en dat dit allen oude bijen waren. Bij nadere beschouwing dezer bijen zag hij er 17 Febr. ééne bij, naar hij meende, met grijsgele stuifmeelklompjes. Echter buiten speurende bij hazelaar-struiken enz. kon nog van geen stuifmeel halen sprake zijn!
Bij zijn terugkomst deze bij nog eens aan een nader onderzoek onderwerpend, bleek hem tot zijn verrassing, dat deze klompjes niet in het stuifmeelkorfje waren opgestapeld, maar zich bevonden aan de binnenzijde n.l. in de z.g. borstelharen van het eerste voetlid der achterpooten. Bij verder onderzoek bleek, dat ± 50% der uitgeworpen en uitgekropen bijen, deze eigenaardige wasschrootbroekjes aan hadden in meerdere of geringere mate. Een en ander werd door Himmer te Erlangen eveneens bevestigd. Er bestaat volgens Dr. Ph. dus geen twijfel, of de groote borstelharen der beide achterpooten zouden voornamelijk dienen om het wasmul voor een of ander doel te verzamelen. Tot heden wist men niet anders, of deze borstelharen hadden alleen ten doel, het stuifmeel uit de haren van het achterlijf te kammen, waarvoor zij dus ook wel gebruikt worden. Wetenschappelijke onderzoeking van deze borstelharen toonden aan, dat zij er juist op ingericht zijn, was-dekseltjes, uitgeworpen stuifmeelklompjes met hieraan kleverige omlaaggevallen bijenhaartjes enz., dus het wasmeel te kunnen verzamelen.
Volgens het inzicht van Dr. Ph. wordt het wasmeel met de propolis en de vreemde harssoorten vermengd, waaruit het wasgehalte kan worden verklaard. Met een en ander zouden de bijen ook het vlieggat verkleinen. Voor de juistheid zijner bewering levert ook de microscoop het bewijs, wanneer men hieronder de wasbroekjes, wasmeel en kithars beschouwt. Allen zijn onder den microscoop gelijk en bestaan uit: waskorreltjes, stuifmeel, haartjes en stof. De arbeid der werkbij begint dus in de woning en eindigt in de woning, voor zoover zij niet buiten verongelukt. De bijen, die dit wasmul verzamelen vliegen nog maar zelden uit. Het verzamelen van dit wasmul door de werkbij is dus haar laatste arbeid in de woning.
G. VELDKAMP.