DE ALEXANDERMETHODE.
(Vervolg, deel II.)
We vestigen er de aandacht op, dat volk B zooveel jonge bijen heeft verloren, dat in vele gevallen de zwermplannen worden opgegeven. Misschien zegt iemand, wat zal er gebeuren wanneer ik twee volken heb, waarvan niet alleen A maar ook volk B moerdoppen heeft met eitjes of larven. Dit verandert aan de werkzaamheden en de resultaten niets. Wanneer uit dit volk B een gedeelte van de jonge bijen zijn uitgetrokken, naar de broedraten, welke er bovenop staan, dan is er geen voedersap genoeg meer om daar beneden bij volk B aan de steeds stijgende behoefte voor de koninklijke larven te voldoen en het gevolg is, dat de moerdoppen door de bijen zelf worden „afgebeten" en de larven uitgeworpen. De zwermplannen worden dus opgegeven.
Men kan deze methode ook toepassen bij drie sterke volken, welke we A, B en C zullen noemen. Heeft volk A koninginnecellen met eitjes of larven, dan kan men de raten afvegen en op C zetten. Wordt na enkele dagen volk B rijp en heeft deze dus ook dezelfde koninginnecellen, dan veegt men ook daar de raten af en zet deze eveneens op volk C, doch boven de A-raten. Het volk C heeft dus 2 bakken met broed te verzorgen en moet heel wat jonge bijen afstaan. Men moet echter niet vergeten, dat in de opgezetten bak uit A en ook die van B, dagelijks heel wat jonge bijen worden geboren, die spoedig aan de verzorging van open broed gaan deelnemen. Het is van belang, dat men precies op den tienden, den bak, welke is geplaatst, weer wegneemt. Neemt men dus de A-bak weg, zoo moet men den B bak nog zijn tijd laten staan.
In ons land komt de Alexandermethode het meest in aanmerking voor het gewin op de linde, dat in de 2e helft van Juni valt We hopen in een volgend artikel nader over de Alexandermethode te schrijven.
T.C. HOOTSEN, Rhenen.