Werkzaamheden in het kastbedrijf.


Steeds hooger stijgt de zon en steeds langer worden de dagen. De gemiddelde warmte van April is 3.5º C, hooger dan van Maart. In deze maand is de weersgesteldheid zeer veranderlijk; warme zonneschijn kan snel afgewisseld worden door kille regen-, hagel- of sneeuwbuien. Zomersche dagen kunnen worden afgewisseld door wintersche nachten.
De imker zorgt er dus vooral voor, dat de broedruimten behoorlijk warm worden gehouden, opdat de bijen zich niet van de broedvlakten, die dagelijks grooter worden, gaan terugtrekken.
Als er nog geen nektar in de natuur is te halen - en dat is in de meeste Aprilmaanden het geval - gaat een goed kastvolk sterk in gewicht achteruit o.a. 3,5 K.G. in 1919, 3,2 K.G. in 1922 en 1925, 3,75 K.G. in 1927, 3,4 K.G. in 1929.
In een gunstig, vroeg voorjaar kan omstreeks 20 April ook reeds de voorjaarsdracht op fruitboomen en paardenbloem inzetten, zoodat April reeds een overschot geeft o.a. 1,05 K.G. in 1921, doch in de meeste jaren is dit in 't begin van Mei het geval.

Omstreeks 15 April kan men met de speculatieve voederingen een begin maken. Men voert kleine porties suikerwater of voerhoning, nog beter is stamphoning, d.i. honing met stuifmeel vermengd, doch in streken, waar veel pollen in het voorjaar worden gehaald, kan men met suikerwater volstaan.
Deze speculatieve voedering kan men met matigheid voortzetten, totdat de dracht begint. Men kan haar weer ter hand nemen, als de weersgesteldheid eenigen tijd ongunstig blijft, of als een drachtpauze intreedt.

Men voert het liefst 's avonds, terwijl men 's morgens het voer wegneemt, dat nog niet door de bijen is opgenomen. Dit is vooral gewenscht, als men voer onder korven heeft staan. Op mooie dagen, als er nog geen nektar is te halen, gaan de bijen overal snuffelen. Zij hebben het achtste gebod nooit geleerd en als zij dus de kans zien eene woning binnen te dringen en de bewoonsters te overmeesteren, dan wordt binnen zeer korten tijd de nog aanwezige voorraad weggeroofd. Men zorge er dus voor geen rooverij uit te lokken door kasten of korven met honing of suikerwater besmeurde handen aan te pakken, want er is geen lastiger zaak op een bijenstand, dan rooverij te bedwingen, als deze van eenige beteekenis is geworden. Hier geldt het spreekwoord: „Het is beter voorkomen, dan te genezen". Als er in de natuur volop te halen is, heeft men geen rooverij te vreezen en kan men rustig de kasten onderzoeken.

Zwakke volken worden op geen stand geduld. Deze worden met andere koloniën vereenigd. Het vereenigen van twee volken behoeft niet te geschieden door het besprenkelen met suiker- of honingwater. Men plaatst slechts een scheidingsplankje tusschen de beide volkjes, die in één broedkamer zijn overgebracht, nadat men uit één volkje de moer heeft verwijderd. Na een paar dagen neemt men het scheidingsplankje weg en worden de beide volkjes vereenigd door het broed zooveel mogelijk bij elkaar te hangen. Heeft men geen scheidingsplankjes, dan kan men ook vereenigen door krantenpapier tusschen de volkjes te hangen. De bijen knagen het papier door en vereenigen zich zelf.

In streken, waar voor de bijen niets te halen is, vervoert men deze naar de koolzaadvelden of kersenboomgaarden. Het vervoer geschiedt tegenwoordig per vrachtauto en spelen afstanden, in tegenstelling met vroeger, toen alles met paard en wagen of boot moest geschieden, geen rol meer. Streken, die een doorloopende voorjaars-, zomer- en najaarsdracht hebben, komen in ons land bijna nergens voor.

Het eerste grondige onderzoek van het bijenvolk stellen wij uit tot het gewin op fruitboomen en paardenbloem is begonnen. Dan gaat het zeer gemakkelijk in de bijenvolken te werken en heeft men geen hinder van rooverij meer.
De ervaren imker heeft reeds aan de bedrijvigheid der bijen op de vliegplank gezien, of de kast volsterk of zwak is, of eene bevruchte of geen moer heeft. Hij heeft tijdig ingegrepen door zwakke of moerlooze volken met andere te vereenigen. Hij zal slechts die volken aanhouden welke kans bieden, dat zij tegen het begin van de zomerdracht (ca. 20 Juni) op volksterkte kunnen zijn. Hij weet uit ervaring, dat zwakkelingen steeds veel zorg en ergernis veroorzaken en daarom zal hij meer genoegen hebben aan tien sterke, dan twintig middelmatige koloniën. Heeft een beginnend imker in 't laatst van Maart nog geen volk gekocht, dan kan dit ook in deze maand nog geschieden.

Is men in Maart nog niet met het maken van raampjes, kunstraat gieten en kunstraat inzetten, klaar gekomen dan zet men die werkzaamheden in deze maand voort, opdat alles vóór den zwermtijd gereed is.
Nu wordt het ook de geschikte tijd om de kasten, als zulks noodig is, eens een kwastje verf te geven. Men schildert eerst de beide zijkanten en den achterkant en, als deze goed droog zijn, zet men den achterkant voor en dan kan men den voorkant, die achterkant is geworden, een kwastje geven.
Hierdoor wordt voorkomen, dat de bijen tegen de kast vliegen en met verf besmeurd worden. Later kan men de randen weer omdraaien.

Op den bijenstand zijn tot nu toe nog slechts kleine werkzaamheden te verrichten geweest (schoonmaken bodemplank, vereenigen van zwakke volken, speculatieve voedering, schilderen van kasten). Wij nemen aan, dat de voorjaarsdracht in den loop van Mei begint en hoop ik U in het volgende overzicht iets mede te deelen over de werkzaamheden van het grondig onderzoek der volken, die aan den zwermtijd voorafgaan.
Van 1-30 April zijn de dagen weer ongeveer twee uren langer geworden en gaan wij nu met rassche schreden het schoonere jaargetijde, de opstanding en verjonging der natuur met het volle, heerlijke zomerleven tegemoet.

A. OONK.