DE VLAG IN TOP.


Overtuigd van het groote nut, hetwelk een doelmatige reclame voor het gebruik van honing en de bescherming van het inlandsch product kan stichten, heb ik gemeend goed te doen door enkele woorden tot opwekking en verhooging der belangstelling te uiten, opdat de leden van onze afdeelingen meer en meer medeleven met de actie, welke thans mede van ons Hoofdbestuur uitgaat, en zij dezen strijd voor het goede recht van onzen honing in hun eigen belang zoo krachtig mogelijk steunen.

Men kan gerust zeggen, dat van de eerste jaren der organisatie af de afzet der producten, in 't bijzonder van honing, bij de iemkers steeds in het midden der belangstelling heeft gestaan. Gedurende tientallen van jaren zijn er reeds pogingen gedaan om het bedrijf door verbetering van den honingafzet meer loonend te maken. Commissies zijn benoemd, een Handelskamer, een Afdeeling Handel, Coöperaties en andere lichamen in het leven geroepen (en helaas sommige weer verdwenen,) doch de resultaten waren in 't algemeen teleurstellend, althans zij beantwoordden niet aan de verwachtingen en waren evenmin evenredig aan de moeite en zorgen er aan besteed.

Het spreekt van zelf, dat de moeilijkheden, welke bij den verkoop van honing ondervonden worden, ontmoedigend werken. Als voornaamste oorzaak van het feit, dat men maar al te vaak niet aan een loonenden productieprijs kan komen, wordt terecht aangewezen de concurrentie van buitenlandschen honing, betrekkelijk onverschillig of deze eerlijke dan wel op minder faire wijze aan den man wordt gebracht. Wij kunnen dan ook gerust zeggen, dat de handelsprijs van onzen honingpoogst zich in het algemeen regelt naar de doorgaans lage prijzen, die het buitenland vraagt, speciaal van die landen welke goedkoop kunnen produceeren. Die dumping is zelfs van zooveel invloed, dat een goede of geringe inlandsche honingoogst den prijs hoegenaamd niet wijzigt.

Daarnaast is een belangrijke factor, dat het publiek, de consument, in 't algemeen geen honing kent, laat staan de uiteenloopende soorten en kwaliteiten en nog minder er op let, of deze honing uit buiten- of binnenland komt. Bij tal van menschen bestaat zelfs, als gevolg van het feit dat in vroeger jaren de honing zeer vaak vervalscht werd, een antipathie tegen verwerkten honing, zij zijn huiverig om dezen te gebruiken en sommigen van hen bepalen zich dan ook alleen tot het gebruik van raathoning. Bij zoo groote onbekendheid is het dan ook mogelijk, b.v. Verkade's Fabrieken te Zaandam (de bekende biscuit- en koekfabrikanten) haar waren aanbevelen op grond van het feit, dat er vreemde honing in wordt verwerkt. In haar pas verschenen brochure „De leidende gedachte" het: „Uit alle oorden der wereld komen ze (d.w.z. de grondstoffen) binnen: meel uit Amerika, honing uit Cuba, enz. en niet te vergeten de Hollandsche melk, boter en eieren". Dit moest in Nederland geen inslaande reclame zijn. Inderdaad de Hollandsche honing is vergeten.

De nieuwste schrede, welke thans wordt gedaan om de moeilijkheden bij den honingafzet opzij te zetten, schijnt mij van het hoogste belang, omdat zij recht op het doel afgaat. Immers de Honingcontrôle heeft voornamelijk ten doel:
1e den Nederlandschen honing van een merk voorzien, zoodat de consument weet, of hij Nederlandschen dan misschien wel buitenlandschen honing koopt;
2e den verbruiker de zekerheid te geven, dat hij geen kunsthoning of een vervalscht artikel ontvangt, doch wel een zuiver, onder wettelijk toezicht bereid product;
3e de kwaliteit van den honing te verhoogen, in 't bijzonder wat de zindelijkheid betreft;
4e voor de afnemers de voornaamste bereidingswijzen aan te geven (pershoning, slingerhoning enz.), welke een kenmerkenden invloed op de kwaliteit hebben.

Ziedaar een eerlijke poging om het Nederlandsche product de plaats te hergeven, die het toekomt en om onze honingproducenten en handelaars in de gelegenheid te stellen met onzen honing onder eigen naam de concurrentie het hoofd te bieden. Aan dit streven dienen alle handelaars, zoowel als de iemkers, die voor de Nederlandsche bijenteelt warm voelen, mede te werken, opdat met vereende krachten het doel wordt bereikt. Immers zonder die medewerking, welke voor ieder zoo gemakkelijk mogelijk en zoo weinig kostbaar is gemaakt, zal de vereeniging Nederlandsch Honigcontrôlestation, waarbij zich ieder kan en moet aansluiten, het zoo zeer begeerde doel niet bereiken. Hoe meer bekendheid aan ons inlandsch product wordt gegeven, hoe meer het publiek in de gelegenheid wordt gesteld, die voor zich zelf getuigende heerlijke eigenschappen van goeden Nederandschen honing te leeren kennen, des te grooter zal de vraag naar ons product zijn. En waar de vraag toeneemt, zal dit ten slotte teruggevonden worden in den te bedingen prijs, welke onze moeite en zorgen, naar wij hopen, in de naaste toekomst zal loonen.

Ook in Duitschland is men doende een rijkscontrôle in te voeren voor inlandschen honing, omdat men ook daar algemeen overtuigd is van de noodzakelijkheid er van, niettegenstaande men daar de concurrentie met buitenlandschen honing door zware invoerrechten gemakkelijker heeft gemaakt, iets waaraan wij in ons land voorloopig niet behoeven te denken.

Bedriegen de voorteekenen niet, dan is ditmaal de kans groot, dat thans voor het in druk verkeerende bedrijf een werk wordt ondernomen, waarvoor wij en ook zij, die na ons komen, niet dankbaar genoeg kunnen zijn aan hen, die daaraan den stoot hebben gegeven. Waar in de iemkerswereld over de meeste belangrijke vraagstukken de inzichten doorgaans sterk uiteenloopen, ja veelal tegenover elkaar staan, daar mag het zeker als een gunstig omen worden beschouwd, dat de vereeniging Nederlandsch Honigcontrôlestation door eendrachtige samenwerking, wij mogen vrij zeggen, van alle belanghebbenden en belangstellenden is tot stand gekomen. Wie de laatste berichten daarover heeft gelezen, zal hebben bemerkt, dat hier de drie groote vereenigingen van bijenhouders als een van geest samenwerken, dat de beide bijenteeltconsulenten mede aan de spits staan en dat de Regeering niet alleen haar krachtigen wettelijken en financiëelen, doch ook haar zedelijken steun verleent. Immers de eerste dienaar der Kroon, de Minister-President, heeft zijn belangstelling getoond, door het Contrôlestation zelf te openen.

Waarlijk de voorteekenen zijn gunstig en het bewijs is hier geleverd, dat wanneer de nood dringt, alle Nederlandsche iemkers, van welke richting zij ook zijn, zich wedervinden en schouder aan schouder willen staan, om hun rechten te verdedigen en het bedrijf hoog te houden. Laten wij hopen, dat deze samenwerking der verschillende groepen blijvend moge zijn en ook op ander gebied, zooals elders door mij werd betoogd, moge worden doorgevoerd. Immers er is nog veel te doen!

Nu zullen er onder ons ongetwijfeld belanghebbenden en belangstellenden opstaan, die de jonge vereeniging de kritiek niet zullen sparen. Inderdaad is, als bij elk menschenwerk, ook hier kritiek uit te oefenen en ik wil gaarne aannemen, dat bij de verdere ontwikkeling nog duidelijker zal blijken, welke fouten de pasgeboren dochtervereeniging van onze iemkersbonden aankleven, gebreken, die eenerzijds het gevolg zijn van het moeilijk te bereiken ideaal en anderzijds wellicht haar oorsprong vinden in de moeilijke geboorte van haar, die wij allen van harte het welkom toeroepen.

Opbouwende kritiek evenwel kan slechts aan de zaak ten goede komen. En wanneer wij nu een blik werpen in de geboorteakten nl. in de statuten der jeugdige vereeniging en wat daarmede aan wettelijke voorschriften e.d. verband houdt, dan zijn reeds aanstonds eenige opmerkingen te maken, waaraan m.i. de toekomst de noodige aandacht zal moeten worden geschonken. Op enkele punten wensch ik hier te wijzen, in de hoop iets te mogen bijdragen tot een betere ontwikkeling van het instituut, dat thans haar zetel heeft te Wageningen, in het midden van ons land, doch zijn werkzaamheden hoofdzakelijk in Enschede, aan de Oostelijke landgrens gelegen, zal beginnen, alwaar een bekwaam ambtenaar en de noodige ruimte aanwezig zijn.

(Wordt vervolgd.)

H. VONK