Werkzaamheden in het kastbedrijf
Het begint nu onaangenaam buiten te worden. De boomen hebben hun bladeren verloren en gaan wij zoo zoetjes aan het koudere jaargetijde tegemoet. De natuur bereidt zich op den winterslaap voor. Het weer is mistig, soms ook stormachtig, terwijl einde November reeds vorst van beteekenis kan invallen. De gemiddelde warmtegraad der lucht neemt snel af en is 4.5° C lager dan in October.
Op sommige zachte, zonnige dagen laten zich de bijen midden op den dag nog wel eens enkele uren zien. Soms brengen zij nog klompjes stuifmeel binnen, als October zonder strenge nachtvorsten is voorbij gegaan. Ook in December vertoonen zij zich somstijds. Dit ziet de imker gaarne en verkort de winterzit.
De imker legt thans de laatste hand aan de nog te verrichten werkzaamheden. Hij krabt de propolis en was van de koninginneroosters, maakt de raampjes schoon, verzamelt al de wasresten en smelt die op. Hij sorteert de raat in witte, lichtbruine en zeer donkere raat. De beide eerste soorten kan hij direct opsmelten, doch de donkere raat breekt hij in kleine stukken en zet hij een tijdlang in regenwater, waardoor de vele vliesjes, die in de cellen zitten goed met water voltrekken. Hierdoor zal hij uit de donkere raat meer was krijgen, dan wanneer die in drogen toestand wordt opgesmolten.
Vooral de verkregen was uit donkere raat is van onderen vuil. Dit vuil snijdt men er met een mes af. Nadat men het was nog eenige malen opgesmolten heeft, krijgt men hem mooi zuiver. Voor mooie was is altijd een kooper te vinden.
Broed- en honingkamers worden op elkaar gestapeld; de benoodigdheden schoon gemaakt, zoo noodig gerepareerd en opgeborgen tot het volgende voorjaar.
De propolis, die bij het wassmelten achter bleef, kan men onder de spiritus zetten, waarin zij geheel oplost. Deze oplossing is dan zeer geschikt er dekkleedjes mee te bestrijken, waardoor deze niet zoo spoedig worden doorgebeten.
A. OONK