Waarheen dragen de bijen het liefste den honing? (Bienen-Vater.)


De beste en winstgevendste bedrijfswijze is steeds die, welke zich aan de natuurlijke levensvoorwaarden der bij het beste aanpast. Dit geldt niet alleen voor de natuurlijke inrichting van de broedruimte, maar vooral ook voor de honingruimte. Door het bedrijf aan te passen aan de behoeften en levenseischen der bijen, komen wij aan de levenswijze der bijennatuur tegemoet en bereiken wij zoo, op natuurlijke wijze, onze teeltplannen.

Wat de honingruimten aangaat moeten wij steeds bedenken, waar de bijen het liefste den honing opleggen. En dan vinden wij:

1. Het liefste leggen de bijen den honing in de naaste omgeving van het broednest op. De voedselvoorraad moet toch in de onmiddellijke nabijheid der jonge hongerige bijenkinderen zijn, daar waar het voedsel het meeste noodig is. Daarom vinden wij ook boven het broednest de best verzegelde, welgevulde, breede, mooie honingkransen.
Boven het broednest is bovendien de warmste plaats in de woning. De van het broednest opstijgende bijenwarmte draagt veel bij om den honing spoedig te doen rijpen, de honing versuikert ook op deze warme plaats niet zoo spoedig, blijft dus langer vloeibaar.

Omdat het broednest voor de bijen ook als overwinteringsruimte dient, is boven het broednest ook de gunstigste plaats voor het wintervoer. Wat volgt hieruit? Dat wij de nieuw opgezette honingkamer vanzelfsprekend boven in de naaste omgeving van de broedruimte plaatsen, opdat zij spoedig met honing gevuld wordt. Moet dan de 2de honingkamer worden gegeven, zoo moet deze nooit op de eerste honingkamer geplaatst worden, maar de nieuwe of 2de honingkamer komt dus weer direct op de broedkamer en hierop de eerste reeds geheel of gedeeltelijk gevulde. De nieuwe, leege honingopzet komt dus telkens direct op de broedruimte, onverschillig of reeds een of meerdere opzetten gegeven zijn. Hier in de onmiddellijke nabijheid van het broednest leggen de bijen den honing het liefste op. Men moet daarom ook, zoo mogelijk, geen afscheidende tusschenplankjes gebruiken, welke de broedruimte van de honingkamer al te zeer afsluiten. Bij voldoende groote broedkamers behoeft men niet te vreezen dat de koningin in de honingkamer(s) komt om hare eieren hierin af te zetten. Zijn de broedramen niet al te laag, zoodat de koningin hierop den broedcirkel ongehinderd vergrooten kan, zoo zal zij bijna steeds onder blijven.

Bevindt zich boven de broedcirkels een, zij het ook, smalle honingkrans, zoo werkt deze honinggordel als een natuurlijke moerrooster, zijn echter de broedramen zoo laag, dat voor de broedcirkel zelfs nauwelijks plaats is, dan moet boven de broedruimte een tusschenplankje met moerrooster komen, om de moer beneden te houden.
Ook hier geldt de regel: Hoe grooter de moerrooster, hoe grooter het verbindingsvlak of het contact tusschen broed- en honingkamer, des te huiselijker voelen zich de bijen in de honingruimte, des te liever begeven zich de bijen omhoog.

(Wordt vervolgd).


Noot. Wegens plaatsgebrek wordt dit artikel in het volgende nummer voortgezet.