Ra, Ra, wat is dat?

Uit de vragen, die een redacteur van een bijentijdschrift zoo dikwerf bereiken, kan men de conclusie trekken, dat men veronderstelt, dat zoo'n man een allesweter is. Dat hij echter vaak ook voor raadselen komt te staan bewijzen bijgaande ervaringen van dezen zomer.

I. Volk 5 zit met een ander volk (6) in een en dezelfde kast, doch van elkaar gescheiden door een tusschenwand; hebben dus niets met elkaar te maken. Volk 5 is van zuiver Italiaansch bloed; de moer is geheel goudgeel van kleur, met het bekende kleine zwarte staartje, terwijl moer 6 van gekruist Italiaansch ras is, flink van postuur, zwart met leerbruine ringen. Beide prachtmoeren; 5 vanwege haar opvallend mooie kleur, 6 vanwege haar grootte. 5 is geknipt aan beide vleugels, 6 niet.
Er komt bezoek en als gewoonlijk worden de volken bekeken. Het kennersoog valt onmiddellijk op volk no. 5, waarvan de bijen een opvallende schoonheid demonstreeren. „Óók het moertje eens zien ?" „Alsjeblieft". Nou het is dan ook werkelijk de moeite waard. De kast wordt opengemaakt en ijverig naar het Italiaantje gezocht. Broed in alle stadia, versche en reeds verzegelde honing . . . . eindelijk. . . . .wat is dat . . . .??? Te midden
van een aantal voedsterbijen loopt daar parmantig moer 6, waar 5 moest zitten. Kan niet, onmogelijk, 5 is 5 en 6 is 6. Toch is hier 5 . . . 6 en 6?
6 wordt opengemaakt (de kast wel te verstaan) en. . . . .? Moerloos, doppen aangezet. Waar is moer 5? Vertrokken!! Naar Italië?? Ik zou het haast gaan gelooven, want de stand heeft al eens bezoek gehad van een Italiaan, doch dat was in 1930 en toen was het moertje er nog niet.
5 is en blijft weg. Maar hoe komt in wereldsnaam 6 in 5? Wie het weet mag het zeggen. Ik weet het niet.

II. De kleindochter van een van mijne moeren, die mij in 1928 zulke merkwaardige ervaringen deed opdoen (zie Maandschrift 1928 blz. 123 en verder) schijnt dezelfde eigenschappen te bezitten als haar grootmoeder zaliger (of onzaliger) nagedachtenis. Óók zij kan geen darreneieren leggen of vertikt het en het fijne broed is onberispelijk Later hierover meer.

III. Mijne bedrijfswijze bestaat als regel in het omhangen in de derde week van Mei. Oók dit jaar. Maar nu ondervind ik bij twee van mijne omgehangen volken, dat zij na het omhangen slechts weinig of geen eieren meer leggen, wél moerdoppen aanzetten, doch van de zoo gaarne geziene nieuwe activiteit geen spoor.

IV. Het eene raadsel volgt op het andere. Maar nu moet ik mijn excuus vragen voor de beleediging mijn eene volkje (een Krainer gekruist met eigen teelt) in een van mijne Maandpraatjes aangedaan. Ik schreef daar ramen van boven tot beneden broed, doch honing ho maar.
Oók dit volk werd omgehangen en ik zag al spoedig, dat het een reuze-volk zou worden en uitvliegen, als de andere volken wegens guur weer liever thuis bleven. Heden inspectie. Moer, die geknipt was vertrokken; geen eitjes wel gesloten broed. Het volk heeft niet gezwermd, tjokvol met bijen en moergoed. Dat zag ik aan het volk. En toch.de moer weg!! Daar vind ik een raampje met eenige uitgeloopen moercellen en nog zoo'n raampje. En honing!!! Flinke breede streepen aan de bovenkant der raampjes, op weg naar de spekraten. Zulke volken staan mij aan. Niet zwermen, toch een jonge moer en geen doppen uitbreken met al de narigheid van dien. Dat is iets voor beginners . . . . en voor mij. Wie heeft ook iets bijzonders op zijn stand gevonden dit jaar ?
JOH. A. JOUSTRA.

.-.-.-.-.-.-.-.


Grollo, 14 Juni 1931.

M.
Gaarne ontving ik van U, zoo mogelijk in het volgende Maandschrift antwoord op de volgende vragen.
a. Wanneer in een gevoegde kast een jonge koningin tuut, heeft ze dan haar cel al verlaten en kan men dus zonder verder onderzoek al de moerdoppen verwijderen ?
b. Verdient het aanbeveling om meerdere koninginnen uit rijpe doppen erbij in te laten loopen met het oog op voorkeur voor een bepaalde, of is dit niet noodig?
c. Honing, opgeslagen in tijdens suikervoedering gebouwde raat, kan die wel als raathoning genuttigd worden of bevat de was schadelijke bestanddeelen ?
d. Wanneer een volk nog suikervoorraad heeft en de honingzolder wordt opgezet, bestaat er dan kans, dat de bijen de suiker in de honingkamer brengen? Wat is dan hiertegen te doen? Is deze suiker vergiftig?
In afwachting, Hoogachtend,
S. VAN DER WAL.

Antwoord.
a. Tuut de moer, dan is ze reeds uitgeloopen. Kwaakt ze, dan zit ze nog opgesloten. Antwoord a dus bevestigend.
b. Behoeft niet, doch kan geen kwaad. Doe dit echter uitsluitend tegen den avond.
c. Geen schadelijke bestanddeelen (de raat is toch leeg?)
d. Ja, die mogelijkheid bestaat wel. De suiker is niet vergiftig. Het beste is, de suikervoorraad eerst uit te slingeren. Kan later als voerhoning gebruikt worden. RED.