NA DE HEIDEDRACHT.


Voor vele imkers breekt er nu weer een drukke tijd aan. De bijen komen van de heide weer terug op eigen stand en zijn den rechtgeaarden imker altijd weer van harte welkom! Hun afwezigheid hebben wij benut om den stand voor den winter weer flink in orde te maken, vooral het dak hebben wij goed nagezien en, zoo noodig, waterdicht gemaakt.

Omstreeks 15 Sept. is het gewin op de heide wel als afgeloopen te beschouwen en worden de volken, zoo spoedig mogelijk, naar eigen stand overgebracht. Zwaar in het volk en licht van den honing zijn de volken naar de heide gegaan. Wanneer de heidedracht goed geweest is, komen de volken echter licht in het volk maar zwaar van den honing terug.
Door het zwoegen op de heide, waar zij maling hebben aan den acht-urigen arbeidsdag, het omkomen van menig bijtje in de vele spinnewebben aldaar, alsmede door den verminderden broedaanzet, is het aantal arbeidsters in een volk zeer geslonken. Wij treffen dan middenin de broedkamer meestal niet meer dan 3 ramen met broed aan. De volken krijgen op den stand weer hun vroegere opstelling, om vervliegen te voorkomen, tenzij men om bijzondere redenen hiervan wil afwijken.
Nu laten wij de volken een paar dagen met rust. Zijn de bijen hierna op eigen woning weer behoorlijk ingevlogen, dan begint het oogsten en wordt hun allereerst den honing ontnomen. Gemakkelijker gezegd, dan gedaan ! Ook hier is het, „breng je wat, dan ben je welkom, maar haal je wat, pasop!”

Bij het ontnemen van den oogst, doet de carbollap echter wonderen. Is de heidedracht gering geweest, zooals het zich bij het schrijven van dit artikel, gezien het slechte weer, laat aanzien, dan zullen wij in de honingkamer geen of weinig honing aantreffen. Vooral zal dit het geval zijn, indien men reeds vóór de heidedracht heeft geslingerd. Aangezien er zich dan ook geen of weinig bijen in de honingkamer bevinden, kunnen wij deze met of zonder moerrooster gemakkelijk afnemen. Alvorens de honingkamer af te nemen, drijven wij de bijen door middel van de carbollap naar de broedruimte terug. De dan nog op de honingramen voorkomende bijen worden bij de bijen in de broedkamer geveegd. Hierna worden de afgenomen honingkamers zoo spoedig mogelijk in veiligheid gebracht. Wij zullen dus, gezien de slechte oogst, alleen maar honing in de broedkamer aantreffen.

De buitenste ramen bij woningen met kouden bouw in woningen zooals b.v. de Simplexkast of de achterste ramen bij woningen met warmen bouw, in woningen zooals b.v. de Thüringerkasten, welke ramen wij voor het winnen van den kostelijken raathoning van een streepje voorbouw hadden voorzien, bevatten bij geringe dracht waarschijnlijk evenmin raathoning als de honingkamer. Deze ramen worden nu met of zonder raathoning afgeveegd en opgeborgen. De overige ramen der broedkamer kunnen nu, voor zoover zij maar honing en open broed bevatten, worden afgeveegd. Op een warme plaats worden deze honingramen nu even opgeborgen, om ze zoo spoedig mogelijk te kunnen slingeren. Ramen met gesloten broed, moeten direct en het eerst geslingerd worden, opdat het broed niet te veel zal afkoelen, waardoor afsterving zou kunnen volgen.

Na het slingeren geve men deze broedramen dus weer zoo spoedig mogelijk aan het volk terug. Deze geslingerde ramen met broed hangt men zóó in het volk terug, dat het broed aaneensluit. Is het gewin uitstekend geweest, dan zal men in den regel geen honing uit de ramen met gesloten broed slingeren, maar dezen honing het volk laten behouden. Sommige imkers gaan hierin nog veel verder en nemen, behalve de eventueele raathoning, maar zeer weinig honing uit de broedkamer, wat voor de volken ook wél zoo goed is. Is de oogst slecht, dan zal men echter van de volken halen, wat er van te halen valt.

Het verdient aanbeveling, om bij het oogsten met zijn tweeën te werken. Een veegt de uitgenomen honingramen af, de ander bergt deze ramen in een ledige bak op en brengt ze weg. Hoe vlugger men de oogst ontneemt, des te beter is dit, om het rooven te voorkomen. Na de heidedracht moet alles in het werk worden gesteld, om geen rooverij uit te lokken.

Is het gewin goed geweest, dan wordt de honingkamer door middel van een bijenuitlaat bijenvrij gemaakt. Daartoe worden allereerst de honingkamers afgenomen. De k.-rooster wordt dan verwisseld met een groote plank, waarin zich een of meerdere bijenuitlaten bevinden. Hierop wordt of worden nu weer de zooeven afgenomen honingkamer(s) geplaatst. Een dag later is deze h.-kamer dan wel bijenvrij en kan worden afgenomen. Door de plank met bijenuitlaat wordt het contact tusschen de bijen boven de bijenuitlaat en de moer eronder verbroken. De bijen boven de bijenuitlaat zoeken weer opnieuw contact met de moer eronder en loopen door deze uitlaat weer naar de broedruimte terug.
Deze uitlaten zijn zoo geconstrueerd, dat zij de bijen wel doorlaten naar de broedruimte, doch niet omgekeerd naar de honingruimte. Men kan de honingkamer bij goed gewin ook bijenschoon maken, door oplegging van de carbollap en de ramen verder af te vegen, zooals boven omschreven is. Vooral bij koud weer laten de bijen zich minder goed afvegen, het is alsof zij zich als het ware aan den honing vastklemmen, ze zijn dan meestal minder mak! Bij een goed gevulde honingkamer is het gebruik van een bijenuitlaat bij het oogsten dus zeer aan te bevelen.
Na de ramen met honing ter verdere behandeling aan het volk te hebben ontnomen, worden de nog in de kast aanwezige broedramen aaneen geschoven en het volk voorloopig afgedekt.

De honing moet rijp geoogst worden en zindelijk worden verwerkt. Hij kan dan jarenlang goed blijven. Rijp is de honing, wanneer ± 2/3 deel der honingcellen verzegeld is, of indien dit niet het geval is, de honing niet uit de cellen druipt, zoodra men het raam schuin voorover laat hellen. Van den rijpen honing worden de cellen ontzegeld met een in heet water steeds warm gehouden ontzegelvork of mes. De aan beide zijden ontzegelde ramen met heidehoning, ondergaan, voordat zij in den honingslinger komen, eerst nog een voorbewerking. De heidehoning laat zich zonder deze voorbewerking niet zoo gemakkelijk en zoo volkomen uitslingeren als de zomerhoning. Met een kolbtoestel of een ericaborstel wordt deze h.honing eerst bewerkt. De naalden van deze toestelletjes worden daartoe verwarmd in warm water en hierin regelmatig warm gehouden. De vooraf ontzegelde cellen worden met deze warme naalden voorzichtig bewerkt. Een rondgang van 3 X met het kolbtoestel of de ericaborstel is reeds voldoende om de taaie heidehoning minder vast in de cellen te maken, zoodat deze honing kan worden geslingerd. De taaie h.honing laat zich aldus bewerkt voor een groot percentage uit de ramen slingeren.

Bij het slingeren van honing lette men er op, dat de ontzegelde ramen zóó in den slinger worden geplaatst, dat deze gelijk bezwaard wordt, om het stooten van den slinger te voorkomen. De zware ramen met veel honing erin, slingert men dus niet gelijk met de lichte, doch eerst de zware en daarna de lichtere ramen of omgekeerd. Dit voor het behoud van de raten, daar zij anders licht breken tijdens het slingeren. De ramen worden, indien mogelijk, bovendien zóó in den slinger gelegd, dat de honinggordel, dus het zwaardere deel op den bodem der binnenbak rust.
In een matig tempo slingert men eerst beide kanten der raten gedeeltelijk uit, dan worden beide kanten opnieuw en onder een steeds vlugger wordend tempo geslingerd, totdat er geen honing meer uitvliegt. De meeste honing verkrijgt men uit de raten, indien de ramen uit de kast genomen, zoo spoedig mogelijk worden geslingerd, dus nog warm zijn. Indien mogelijk, slingert men dus in een warm vertrek en bij warm weer. De honing, die uit de kraan van den slinger loopt, wordt in een haarzeef opgevangen, welke boven een emmer past, waarin de honing omlaag druipt. Met warm water wordt zoo nu en dan de haarzeef schoongemaakt, terwijl men oppast, dat intusschen geen ongezeefde honing in den emmer terecht komt.
Nu komt de gezeefde honing in een warme en stofvrije kamer, in hooge bussen of kannen, doch wordt nog niet van de lucht afgesloten. Gedurende een of twee dagen worden de onreinheden, die naar boven komen, afgeschept, b.v.: wasdeeltjes, stuifmeelkorrels, schuim enz.

Na het afschuimen wordt de honing steeds omgeroerd. Is de honing eindelijk van boven zuiver, zoodat zich niets meer aan de oppervlakte vertoont, dan wordt het product in flacons of in goed afsluitende tonnen en roestvrije bussen, of in glazen potten enz. opgeborgen. Als de honing niet luchtdicht wordt afgesloten, dan trekt hij water aan, waardoor gisting ontstaat. Wanneer honing geslingerd wordt uit ramen met open broed, is de kans op gisting groot.

De geoogste heideraathoning, een teer, maar gewild artikel, worde voorzichtig behandeld. De raampjes met raathoning kan men in een droog vertrek vrij lang goed houden, doch hoe eerder aan den man hoe beter. Deze raathoning wordt voorts overgesneden in de daarvoor bestemde kistjes van blik, hout of carton, waarvoor meestal wel koopers te vinden zijn. De raathoning is eerste klas, wanneer de raat nog nimmer bebroed is geweest, zich in deze raat geen kunstraat bevindt en de honing mooi verzegeld is. Worden de zegeltjes besmeerd met honing, dan is het mooie er af. Mooie uit korven gebroken stukjes raathoning worden, om dit besmeuren der zegels te voorkomen, hiertoe op hun kanten op vetvrij papier geplaatst.

De geslingerde ramen worden zoo spoedig mogelijk in het volk terug gehangen. Het broed moet aansluitend zijn, de mooie ramen met fijn werk meer middenin tegen het broednest aan, de minder mooie ramen met grof werk erin meer aan de kant. In de teruggehangen ramen zit nog vrij wat honing, welke honing door de bijen weer wordt opgelikt en opgelegd; de ramen welke met honing besmeerd waren, worden weer schoongemaakt en de breuken door de bijen hersteld. Er komt hierdoor weer wat nieuwe activiteit in het volk. Het is alsof het volk weer opnieuw wordt aangedreven en mede door de opgelikte honing is er weer een kleine opvlamming van broeddrift.

Deze broeddrift wakkeren wij nog wat aan, door een dag of tien de drijfvoedering toe te passen, d.w.z. geregeld voeren bij kleine hoeveelheden van suikerwater (of honingwater), verhouding 1 op 1. Er ontstaat nu nog een nieuw broednestje, waardoor het volk nog met menig jong bijtje den winter ingaat. Deze jonge bijen zijn in het voorjaar voor het volk van groote waarde.
Vóór wij echter dit drijfveer gaan toedienen, wordt het volk eerst nog eens grondig nagezien. De moer moet goed zijn, de ratenbouw wordt nog zoo noodig wat beter gerangschikt. Dor en grof werk dus zooveel mogelijk als kantramen. Goede koninginnen hebben goed aaneen gesloten broedcellen. Darrenbroedige moeren of moeren, die wij niet meer vertrouwen, worden omgewisseld. De bodemplank wordt nog eens voor het laatst schoongemaakt, waarna het drijven begint en waarop dan later het opvoeren volgt.

De Korfimker zal zijn beste volken als opzetters hebben uitgekozen. Soms zijn juist de beste opzetters te zwaar om op te zetten. Het loont dan zeer de moeite, om deze volken uit te trommelen en ze in een lichteren korf over te plaatsen. Was vroeger het afzwavelen van de volken, die men niet wenschte op te zetten, gebruikelijk, tegenwoordig worden meer en meer de volken afgesalpeterd en als naakte volken verkocht. Wanneer men van de afgesalpeterde volken de oude bijen eerst laat afvliegen en eenige van deze afgevlogen volken tezamen voegt, zijn deze naakte volken voor verschillende doeleinden nog zeer goed bruikbaar.

G. VELDKAMP.