WILDE HONIG.
(Vervolg)
Maar het is niet over den sprinkhaan, dat ik wilde schrijven, hoewel er veel wetenswaardigs over mee te deelen is. De sprinkhaan toch valt buiten de belangstelling van dit Maandblad. Het is over den „wilden honig", dat ik een en ander wil gaan zeggen. Natuurlijk is die honig niet wild, maar wordt in het wild gevonden. Niet alleen in den Bijbel, maar ook in de geheele literatuur daarbuiten vinden we van honig en zijn producenten gewag gemaakt. Een eldorado van een wilde-bijen kolonie staat in 1 Samuel 14, vers 25 tot 27 beschreven.
Een Israëlitisch leger trok door een woud en vond er overal honig in plassen op den grond liggen. Stelt U zich zoo iets eens voor! Kijk eens naar boven en U ziet tusschen het boomloof nest aan nest hangen! De bijen zijn zoo druk, dat het wel lijkt, of zij zwermen! Maar zwermen doen ze niet, daarvoor is er in de bloemrijke omgeving veel en veel te veel te halen! De nesten hangen hier en daar zoo laag, dat ze met een speer te bereiken zijn!
Straks komt Jonathan terug van zijn zegevierenden tocht, heeft honger en dorst! Ook hij wordt door dit prachttooneel geboeid. Blanke raten, waarin het zonlicht weerkaatst wordt in den overvloed van den nog zeer vloeibaren nectar, trekken zijn aandacht! Zijn speer uitsteken en die te „doopen" (zóó staat het precies in 1 Samuel 14) in de zwellende, blanke raat is gebeurd, voor hij het goed weet! Hij brengt den buit aan den mond en eet; „zijn oogen worden onmiddellijk verlicht"! D.w.z. hij voelt zijn vermoeidheid spoedig wijken.
Deze nadere beschouwing geeft aan het voedsel van Johannes den Dooper een andere kleur; over den smaak valt niet te twisten; duizenden eten den gedroogden sprinkhaan met groote graagte en de honig in het bloemrijke Palestina zal ongetwijfeld de vergelijking met het product, dat wij hier winnen, glansrijk kunnen doorstaan. Het is jammer voor ons, imkers, dat deze bijenweelde in slechts een drietal verzen vermeld is. Toch behoeven wij niet te veel van ons voorstellingsvermogen te vergen om ons een volkomen juiste voorstelling te vormen van den ongelooflijken bloemenrijkdom in dat woud en in zijn onmiddellijke omgeving. Konden we daar onze kasten en korven voor één seizoenetje maar eens plaatsen om ook eens een oogst te hebben, die overvloedig was! Wie weet! De auto heeft de afstanden al aanmerkelijk verkort. De vliegmachine heeft dien verkorten afstand nog kleiner gemaakt. Nog een paar jaren geduld en onze Vereeniging krijgt van de K.L.M, eene uitnoodiging om gratis of tegen een kleine vergoeding een vierentwintigtal kasten en korven mee te geven, die de piloot, die dan tevens imker-eerste-klasse is, daar in datzelfde woud neerzetten zal op zijn weg naar Indië en ze op zijn terugreis weer inladen zal. Misschien laat hij de gevulde honigkamers wel bij de leden thuis brengen!
„Toekomstmuziek" denkt U glimlachend! En ik ben het volkomen met U eens, maar „muziek" is het! En zoo zeker, dat het er niet eens van komen zal, al is het 't volgend jaar nog niet, ben ik niet. U wel? Ga maar eens na welke vorderingen het vliegwezen in de laatste tien jaren gemaakt heeft en bedenk dan even, dat de aviatiek nog in haar kinderschoenen staat en wat ze nu al presteert! Ik zou zeggen: reken er nu vast al op met de uiterste zorg aan Uw volken te besteden, zoowel aan de veredeling als aan de versterking, opdat U klaar zijt bij den eersten oproep van het Hoofdbestuur Uw beste volk te zenden in de doelmatigste kast! Misschien krijgt U tegelijk wel een uitnoodiging om mee te gaan en U met het toezicht te belasten!! Maar ter zake:
Tijdens mijn verblijf in Zuid-Afrika ben ik maar eenmaal, en dat nog zeer zijdelings, met „wilden honig" in aanraking gekomen. Dat zat zóó: Op een buitengewoon warmen middag — en het kon daar zoo lekker stoven! — lag ik na mijn verkwikkend koud bad in de schaduw in een gemakkelijken stoel van mijn pijp tabak te genieten, toen mijn rust gestoord werd door de ongewone komst van een paar van mijn jongens — de bedienden worden hier „boys" (jongens) genoemd. Beschroomd — ze doen tenminste alsof ze beschroomd zijn — schuifelen ze nader en bleven op een eerbiedigen afstand staan wachten met de handen plat tegen elkaar en op de hoogte van hun gezicht opgeheven. Zóó staat de neger in Zuid-Afrika, als hij iets te vragen of te zeggen heeft. In die houding wachtten zij, tot ik ten laatste vroeg: „Ini daba?" (Wat is er?)
Dat er iets buitengewoons gaande was, had ik wel aan de schittering van hun overigens afgewende oogen gezien. “Afgewend", want de kaffer kijkt den blanke nimmer recht in de oogen, evenmin als deze het hem doet. Daaruit behoeft U nog niet de conclusie te trekken, dat hij onoprecht is. Trouwens, er zijn blanken genoeg, die iemand ook niet recht in de oogen durven zien en U zoudt ze daarom toch niet willen veroordeelen, wel ? Wat ik verwachtte, was de mededeeling van een slang op het erf, een brand in het gras dat tegen den berg achter het huis groeide, of zoo iets, waarvoor men in zulke streken altijd op zijn hoede moet zijn. Maar neen! Ditmaal was het heel iets anders; rad en rap vertelden ze me in hun zangerig taaltje, dat een der jongens na zijn werk den berg achter het huis opgeklauterd was om hout te hakken en halverwege de helling door een woedend insect gestoken was. Lamenteerend en al wrijvend over de pijnlijke plek was hij verder geklommen, maar was toen aangevallen door een heelen zwerm van zulke beesten, bijen! Toen had hij de plaat gepoetst! Nu moet U weten, dat de kaffer altijd een vrij sterken — en ook vrij onaangenamen — geur met zich omdraagt. Men behoeft bijvoorbeeld nooit te vragen, of de huisjongen de kamers al gedaan heeft, want een vrij sterke kaffergeur verraadt zijn aanwezigheid onmiddellijk. Een geur, die nog geruimen tijd blijft hangen, nadat de drager vertrokken is. Men went aan die dingen! Bij dezen geur komt nu die van het overvloedige transpireeren en imkers weten wel, dat de bijen op het laatste in het geheel niet gesteld zijn, laat staan dan op de combinatie!! De onplezierige atmosfeer had de „wilde" bijen geïrriteerd en gezamenlijk waren ze er op uit getrokken om den drager van dien geur te verjagen, nu de poging van den eenling gefaald had! Overdekt met steken en met verlies van zijn gelijkmoedigheid was hij terug komen rennen op gevaar af zijn beenen te breken op de steile helling naar beneden. Het geval had de blijdschap van zijn makkers veroorzaakt. Ik had trouwens al eenige explosies van deze vreugde gehoord achter het huis, waar de jongens gewoonlijk bivakkeerden, maar had er mij weinig van aangetrokken. Zelfs terwijl de woordvoerder mij het verslag van het geval gaf, lichtte nu en dan — en even snel weer onderdrukt — een blijde glimlach zijn gelaatstrekken op. Een kaffer is er zelden rouwig om, als een kameraad iets overkomt. Gelukkig zijn wij, blanken en beschaafden, heel anders! Het einde van het verhaal was een verzoek, of ik eens mee wilde gaan en ook eens een kijkje te nemen. Ik voelde er weinig voor! Ten eerste is een klimpartijtje langs een onbegaanbare helling bij een temperatuur van 100 gr. F. in de schaduw geen pretje en ten tweede had de liefde voor de bijen — een liefde, die, als ze iemand ééns te pakken heeft, hem nooit meer loslaat — me toen nog niet gegrepen.
Ik ging dus op de vriendelijke uitnoodiging om tegen den berg op te klauteren en de bijen op te sporen niet in. Ze moesten maar alleen gaan en me later bericht geven. Zoo geschiedde. Nu spijt het me die gelegenheid verzuimd te hebben. Was ik toen imker geweest, dan had ik het geval anders getrakteerd, dan zij deden. Zoo goed als naakt, zonder bijenkap of een ander beschermingsapparaat, trokken zij er op uit. Gekomen in de buurt van de plaats, waar de eerste aanval had plaats gehad, maakten zij van wat droog gras een fakkel en staken dien aan. Behoedzaam togen zij verder. De rook beveiligde hen tegen een hernieuwden aanval. De vlucht van de bijen volgend kwamen zij meer rook makend bij een bergspleet. Daar gingen zij in en vonden inderdaad een talrijk volk, dat voor dien dichten rookwolk zwichtte of in de vlammen omkwam. Een rijke buit aan blanke raat viel, hun in handen. Bij hun terugkomst boden zij mij edelmoedig hun voorraad aan en waren eigenlijk heel blij, dat ik bedankte. Ze hebben van de zoetigheid terdege gesmuld.
Dit is de eenige maal, dat ik van „wilden" honig daar gehoord heb. In geheele dorp was er niemand, die imkerde of er zelfs maar aan dacht. Het naaste dorp lag zes uur te paard daar vandaan. Wel degelijk hadden we dus hier met zoogenaamde „wilde" bijen te doen. Was ik met hen meegegaan, dan had mijn artikeltje heel wat interessanter kunnen wezen. Toch kunnen we één ding uit mijn (zijdelingsche) ervaring leeren: sprinkhanen en „wilde" honig liggen ook in Zuid-Afrika klaar om den niet-veel-eischenden-mensch tot voedsel te strekken.
C. JANSEN, 's Gravenhage.